Tot besluit enkele gedachten over:
1. het Volkeren recht;
2. de tekenen des tijds;
3. het Vaderland in het revolutietijdperk;
4. eigen roeping en plicht.
1. Het Volkerenrecht. - Vraagt gij naar de theorie, gelijk ze van lieverlede veld won? Zij is op dezelfde grondbeginselen als het revolutionaire staatsrecht gebouwd.
Zie hier het kort begrip dezer diplomatieke wijsheid, waarmee we van Grotius en van Puffendorf en van de ganse omslag der folianten en kwartijnen van vroegere publicisten ons kunnen ontslaan.
Wat de volkssoevereiniteit voor een land is, dat is voor de wereld de soevereiniteit der mensheid. Ook op dit uitgestrekter gebied bestaat, tegen de algemene wil, geen heiligheid van traktaten of van verkregen recht. Het welzijn van Europa of het heil der wereld is de enige toetssteen. En vermits nu de mening ook over dit algemene welzijn in kosmopolitische omvang, verschilt: vermits ook deze algemene wil geen voor onfeilbaar erkende woordvoerder heeft, lost zich ook hier de wil van allen in de willekeur van sommigen op; in het goedvinden van hen, die de overmacht hebben. Bij verschil van gevoelens heeft altijd één mening geredelijk de voorkeur, namelijk die, welke het meest overeenkomt of met de eigen theorie, of met het belang van hen, wier kracht van overreding op het zwaard, op het geschut, op "het recht van het kanon" rust.
Vraagt gij naar de praktijk? Zij is in het gedrag van Frankrijk en van de overige Mogendheden zichtbaar.
Van Frankrijk. - Let op al wat tot aan de val van het Keizerrijk, dat is, zolang Frankrijk een volkomen suprematie had, geschied is. Uit het revolutionaire standpunt bezien wordt rechtmatig en prijzenswaard, en de toon en houding der Conventie, en het verbond der volken tegen de vorsten, en het verspreiden van het vuur der vrijheid, en het in bescherming nemen van revolutionaire bewegingen in alle landen, en het streven naar verbroedering der wereld, onder protectoraat van het Franse volk. Ook de handelwijs van Napoleon kwam met de eis der theorie overeen. De gehele wereld immers had bij latere ontwikkeling van de Revolutie belang. Ter voorbereiding strekte de onderwerping der partijen aan het Napoleontische bewind. Om die soort van eendracht te verkrijgen en te behouden was oorlog, zegepraal, verovering onmisbaar. Dit stelsel, eenmaal aangenomen, was voor beperking niet vatbaar, zolang, om dezelfde reden, dezelfde behoefte bestond.
De werking der revolutionaire leerstellingen is evenzeer kenbaar in het gedrag der overige Mogendheden. Tot 1813 (met uitzondering van Engeland was het voorzeker niet antirevolutionair.
Ik wijs u op het tijdperk der voorbereiding. - Reeds hier ontmoeten wij de staatkunde, welke, door conveniëntie en zucht om zich te arrondisseren a) geleid, tegen spelen met traktaten geen bezwaar heeft 1). Van toen af dagtekent het roofverbond, waardoor Polen verscheurd werd, en de verraderlijke houding tegen het Ottomaanse rijk, waarbij uitbreiding, minder van het Evangelie dan van aangrenzende staten, bedoeld werd. De warme vrienden der Franse sofisten waren ijverige voorstanders en aanleggers dezer diplomatieke schelmstukken; Catharina II, Jozef II, Frederik II: de laatste te praktisch, om zich niet achter vroegere beginselen en vormen te verschansen, zodra hij ondervond of voorzag, dat de rechten of belangen van Pruisen of van het Duitse rijk in gevaar werden gebracht.
Ontwikkeling. - De vreselijkheid der revolutie is door de Mogendheden bevorderd, niet uit overmaat, maar uit gemis aan anti-revolutionaire politiek. Waarom zijn de ontwerpen en pogingen der vorsten en staatslieden verijdeld? Omdat zij zelf met de vrijheidsleer ingenomen waren; omdat zij de revolutie in oorsprong en wezen goedgekeurd, enkel in de gevolgen en in hetgeen men buitensporigheden noemde hebben tegengewerkt; omdat zij in het revolutionair bewind niet een opgeworpen macht, maar Frankrijk, niet een misdadige factie, maar een wettige staat gezien hebben. Al het overige was gevolg dezer opvatting.
Het was niet vreemd meer, dat men vertegenwoordigers en voorstanders van de historische staat, dat men slachtoffers van onrecht en geweld, voor oproerlingen of bekrompen aanhangers ener wegwerpelijke staatsinrichting hield; dat de deerniswaardige toestand van Lodewijk XVI zaak enkel van persoonlijk belang of monarchale vorm werd; dat elke tussenkomst de gedaante van oorlog tegen Frankrijk kreeg. Vandaar het steunen, niet op de onveranderlijkheid der beginselen, maar op de wisselbaarheid der omstandigheden; de wens naar triomf der minst hevige, en even daardoor zwakste revolutionaire partij; het gebrek aan eenheid en veerkracht, uit miskenning der natuur en der uitgestrektheid van het gevaar; het ontaarden van een krijg, waar belangeloosheid voorwaarde van triomf was, in baatzuchtige speculatie ter vergroting van eigen gebied; de ontrouw en het verraad aan de Franse royalisten, zo dikwerf hun bondgenootschap nadelig of nutteloos scheen; een gruwel, die in de vereniging der Fransen, door landsgevaar en nationaal belang, rechtmatige straf vond. Vandaar de flauwe, matte, kleingeestige, laaghartige diplomatie, wier vrucht en welverdiende straf in het aanblazen van de revolutiegloed en in het ondergaan ener reeks van nederlagen bestaan heeft.
Niet beter was de Reactie. - De onderwerping van half Europa aan Frans geweld is grotendeels aan dezelfde wanbegrippen te wijten. De schrandere mannen, door wie Groot-Brittannië bestierd werd, begrepen, dat de gekroonde Jacobijn tot onophoudelijke krijg verplicht en gezind was. Elders vleide men zich, dat hij de revolutietemmer was, met wie men zich, door secularisatie en inlijving, over de verdeling van Europa in grote arrondissementen zou kunnen verstaan. Geen wonder dat Napoleon aldus, representant der omwenteling, van beschermer en scheidsrechter spoedig verdrukker en opperheer werd.
Coalitiën van de beginne af, ja, dit is zo. Doch wie is de treurige historie dezer kortstondige verenigingen onbekend? De lijdelijkheid van elk, zo lang het recht van anderen, niet het zijne, aangerand werd; het gretig medewerken, waar men kans zag, al was het door samenspanning met de revolutionaire vrienden, op een deel van onrechtvaardige buit; het heulen van Oostenrijk met Bonaparte, toen het België losliet en Holland prijs gaf, zich verblijdde in de vernietiging van Venetië, om te berusten in de sloping van het Duitse Rijk, en, voor de schandelijkheid van zoveel onrecht, in de smakelijkheid van de toegeworpen brok schadeloosstelling vond; de loosheid en baatzucht en lafhartigheid van Pruisen; de dienstvaardigheid van Duitse vorsten, satrapen van de geweldenaar, te buigzamer voor de tiran, om door zijn gunst op hun beurt tirannen te zijn van hun eigen volk. Er kon geen duurzame coalitie zijn, zolang menigeen, door zich tot in het stof en in het slijk te buigen, het slagzwaard van de overheerser dacht te ontwijken. Geen doeltreffend verbond, eer het bleek, dat de gestadige vermeerdering van het Napoleontisch geweld, in de aangelegenheden zelfs van persoonlijk eigenbelang, voor allen, voor koning en dagloner, verderfelijk werd. Toen is het egoïsme zelf de drijfveer tot edelmoedigheid geworden. Het zelfbehoud der vorsten dwong hen, om, gewekt door den vrijheidskreet der volken, tegen de gevreesden overweldiger een kamp op leven en dood te beproeven, en onder blijkbare zegen Gods ten einde te brengen.
En wat is er van 1815 tot 1830 gebeurd? De strekking der gouvernementen om elkander de hand te bieden ter gematigde toepassing van liberale begrippen, is grondslag geworden ook van het volkenrecht. Ik zwijg van het Heilig Verbond. De beschouwing van enig fraaie alexandrijnen is voor mijn betoog overtollig. Het Heilig Verbond heeft Europa geenszins tegen onheilige maatregelen in veiligheid gesteld. De noodlottige liberale willekeur is openbaar in het zonderling, onrechtmatig, somtijds hemeltergend overleg, dat de natiën als koopwaren of als kudden verdeeld en verruild heeft. In de wijs, waarop vrijheid en gezag door liberale constitutiën verdween. In de congressen en gewapende interventiën, om opstanden te dempen, waarvan men zelf de zaden gelegd had.
2. Men vraagt, met het oog op de toekomst, naar de tekenen des tijds. Niet ten onrechte. Wie enigszins helderheid van vooruitzicht wil verkrijgen, schiete geen wieken der verbeelding aan, om in het onmetelijke rijk der gissing onvruchtbare reizen te doen. Hij brenge veeleer de waarschijnlijkheid van hetgeen wij tegemoet gaan, met de zekerheid van hetgeen wij nu reeds aanschouwen, in verband. Ik althans vermeet mij geen profetie, dan die in de aanwijzing ligt der reeds nu zichtbare hoofdtrekken, waarvan richting en werking door de omstandigheden gewijzigd, maar geenszins te niet kan worden gedaan.
Onder deze hoofdtrekken tel ik:
a. de kracht der conservatieve begrippen;
b. de voortgang van het radicaal beginsel;
c. de woelingen van de Roomse kerk;
d. de herleving van christelijk geloof.
a. Veel is er, dat rust en eendracht, of althans conservatie der tegenwoordige staatsinrichting voorspelt. Afgematheid bij het herdenken aan de worstelingen van de revolutietijd; verdriet in theorieën, welke teleurstelling en jammer hebben gebaard; vrees voor beroeringen, waardoor welvaart en crediet verloren kan gaan; ingenomenheid tegen een oppositie, dikwerf masker van baatzucht en middel tot omkering van de Staat: overmacht van een albeherend gouvernement, dubbel krachtig om het streven enkel naar stoffelijke welvaart, dat dagelijks meer in de hogere en middelbare standen karaktertrek wordt.
b. Het kan ons echter niet ontgaan, dat weerzin tegen theorieën voornamelijk op gronden van eigenbelang rust. Doch wanneer wij lager afdalen en op de volksmassa het oog gericht houden, zou er dan ook niet daar een eigenbelang zijn, waaruit veeleer liefde en geestdrift voor radicale begrippen kan ontstaan? Met de losmaking van velerlei banden heeft de Revolutie spanning tussen rijken en armen geboren doen worden, welke, om de gestadige aanwas van het pauperisme, telkens onrustbarender gedaante verkrijgt. Te meer omdat, bij het toenemen van verlichting zonder hoger licht, de minvermogenden, wellicht rijk aan kundigheden en zeker aan beginselen arm, door een onderwijs, waaraan het christelijk gehalte ontbreekt, meer dan te voren vatbaar voor de prediking van verderfelijke leerstellingen zijn. En wanneer men dan op de voortgang van Communisme en Socialisme het oog slaat; op ongodisterij en mensvergoding, in Duitsland en elders aan de orde van de dag, en daarin stelselmatige voortzetting ziet van het door Robespierre en Babeuf onafgedane werk, herhaalde poging om, door volledigheid der toepassing, de verwezenlijking van droombeelden, wier najaging reeds zoveel onheil wrocht, te bewerken; wanneer men bedenkt, dat deze leerstellingen, voor hen die overvloed hebben dreigend, te vleiender voor onvermogenden en behoeftigen zijn; dat ze, uit het ongelovig standpunt onbetwistbaar, de geschiktheid hebben om een fanatisme te ontsteken, te lichter ontvlambaar, omdat het door uitzicht op verzadiging van driften en begeerlijkheden aangevuurd wordt; dan blijkt het, dat er reden van ongerustheid bestaat. Dan doet zich de mogelijkheid, de waarschijnlijkheid, de onvermijdelijkheid van nieuwe uitbarstingen aan ons voor. Dan ontwaren wij, dat, ofschoon de verwezenlijking der idealen van de godverloochenende mens onoverkomelijke beletselen in de natuur zelve der dingen ontmoet, de vernieuwing der proef, al weder, met verdubbelde hevigheid en op uitgestrekter schaal, naar alle soort van schrikbewind en despotisme zou kunnen brengen. Dan is de vrees zo ongerijmd niet voor tonelen van verwarring, plundering en moord, bij wier tragische afloop de geschiedenis der Franse revolutie bijkans als een liefelijke idylle zal worden beschouwd 2).
c. De vermeerderende werkzaamheid en aanmatiging van het Pausdom is niet ter bemoediging geschikt. Wat heeft men te denken van de ijver in de Roomse kerk? Is die enkel aan bijgeloof te wijten, of is het ook loffelijke onge1oofsbestrijding en overgebleven gehechtheid aan het Evangelie? Zijn de bewegingen in Duitsland, onder veel gebrekkigs, voortekenen van betere dingen? Kunnen de verliezen, welke Rome in sommige landen ondergaat, als tegenwicht der aanwinsten elders in rekening worden gebracht?
Zoveel is bij al dit onzekere zeker, dat de verjeugdiging van het Papisme met terugkering van op de achtergrond geraakte jammerlijke bijgelovigheden gepaard is; dat, waar Rome gebied voert, vervolging, naar tijdsomstandigheden gewijzigd, gezien wordt; dat zij tot hernieuwing van vroegere schriktonelen de wil heeft; en dat er voor haar in de aard en geest onzer tijden kans van overmacht ligt. Bij de algemene behoefte aan religie, hoedanig ook, kan verbeelding, smaak en geweten in slaap worden gewiegd zelfs door een gedaante van godsdienstigheid, welke vrijheid van denken en ook van handelen verleent. Aldus zou, juist wegens het overgebleven verband met onuitroeibare herinneringen der christenheid, het ultramontanisme wellicht meer dan enig ander kerkgeloof, de geschiktheid hebben om, na toegenomen ontaarding, eenmaal door verbintenis van jezuïtische en jacobijnse meningen en belangen, de algemeen-burgerlijke godsdienst te worden, voor de Staat nodig, en die elke dienst van God in geest en in waarheid, rustverstorend en dus strafwaardig, in het belang van de Staat als onverdraagzaam en onverdraaglijk verbant.
d. Ook van de herleving van christelijk geloof sprak ik; even onloochenbaar als heugelijk verschijnsel. Door de ganse Christenheid wordt, in de laatste dertig jaren, wederaanneming bespeurd der waarheden, welke onder de invloed der valse wijsbegeerte voorwerp waren van verwaarlozing en minachting, zo niet van vijandschap en spotternij.
Doch wij zien ook de werking der wanbegrippen, die zich van vele Protestantse kerken meester hebben gemaakt. Waar het rechtzinnige geloof te voorschijn treedt, blijft nog de vraag: is het, in de evangelische zin van leven en liefde, rechtzinnig? Is het, waar tegen de wereld gestreden moet worden, krachtig om op de menigvuldige zwakheden en de trage onwil der Christenen zelf de overhand te behouden? Het voegt mij niet, wat wij hier en elders aanschouwen aan dergelijke vragen ter toetse te brengen. Ook is van dit christelijk element wèl het aanzijn, de natuur, de strekking, maar geenszins de eigenlijke hoeveelheid en de juiste verhouding tegenover de andere bestanddelen der tegenwoordige wereldcrisis bekend 3).
Het kan zijn, dat door het radicaal beginsel, zonder in evangelisch geloof noemenswaardige wederstand te ontmoeten, voor een tijd een volledige triomf worde behaald. Het kan zijn, dat we, met meer uitbreiding dan in de eeuw der Hervorming, zonder gevaarlijke spanning en botsing, reformatie van geloof en zeden te gemoet gaan. Het kan zijn, en deze kans schijnt in de waarschijnlijkheidsberekening de voorrang te hebben, dat wij leven in een tijd van stilstand, in een stationaire toestand, die tevens voorbereiding en overgang is, zodat de gisting van allerlei begrippen en de reeds dreigende houding van strijdige beginselen de aannadering verkondigt en bewerkt ener worsteling tussen licht en duisternis, waarvan de wereldhistorie tot dusver in omvang en felheid de wederga niet gekend heeft.
Ook hier, bij zoveel twijfelachtigheid, ligt de vastheid in de Heilige Schrift. Het licht van Boven doet niet alleen in de gebeurtenissen van de vervlogen tijd de vervulling zien der raadsbesluiten Gods. Het schittert (gelijk de straal in het onweder de zwarte wolken vaneen scheurt) op de duistere paden der toekomst, als uit de verborgenheden van hogere sferen, ons te gemoet. Wij weten wat voorspeld is: toeneming van het bederf; algemeenheid van de afval, menigvuldigheid der verzoeking; werking desgenen, die zich vertoont als een engel des lichts; de verdrukking van hen, die aan de Heer getrouw zijn; benauwdheid der tijden; zekerheid, in de bangste nood, der meest onverwachte verlossing; zegepraal der gelovigen, wanneer Hij, wie zij lief gehad en gediend hebben, de ongerechtige verdoen zal door de geest Zijns monds, en te niet maken door de verschijning Zijner toekomst.
3. Genoeg, misschien te veel reeds (wij lopen hier zo licht gevaar in vermetelheid te vallen), over de tekenen des tijds. Nog iets, ten derde, over de vraag: Welke invloed heeft het revolutie-beginsel in Nederland gehad?
Het is een beweren, aan onze nationale ijdelheid welgevallig, dat wij door eigen voortreffelijkheid voor revolutionaire gruwelen bewaard, door vreemde tussenkomst en overmacht tot revolutionaire dwaasheden verleid zijn. Dit is een, om de behoefte ook der natiën aan zelfkennis, schadelijk zelfbedrog.
Aan geloofsverzaking, te schandelijker naarmate Nederland meer bevoorrecht was, hebben ook wij de vernedering en ellende, die het streven naar grootheid en volksheil buiten God gehad heeft, te wijten. De invloed der revolutionaire geschriften is krachtiger ten verderve, dan de overmacht der revolutionaire wapenen geweest. Het is zo, van 1795 tot 1813 liepen wij de ganse baan der reactie aan de leiband of keten onzer vriendnabuurlijke beschermheren af. Maar wat hebben wij, voor en na, toen we van uitwendige banden Vrij waren, verricht? We draafden uit vrije beweging in hetzelfde gareel rond.
Nederland heeft van 1780 tot 1787 het tijdperk zijner eigen revolutionaire ontwikkeling gehad, eer in Frankrijk de losbarsting plaats had. Zo de voortzetting van het vergevorderde werk niet, evenzeer in 1795 door de Fransen als in 1787 door de Pruisen, met argumenten waartegen niet te redeneren viel, gewapender hand belet was 4), het zou te bezien staan, of de aaneenschakeling der syllogismen zich niet in een schrikbewind vertoond, of ook wij niet onzen Robespierre en onzen St. Just, die het bloeden uit de goudaderen en het verbrijzelen der Oranje-ressorts en het ophangen van de hoofden hunner tegenpartij verlangden 5), aan het roer van staat zouden gezien hebben.
In 1813 riepen wij Oranje terug. Maar wanneer we, met terzijdestelling van zoveel, dat deze ommekeer heugelijk maakt, ons hij de wijziging van de regeringsvorm bepalen, dan was het, alsof de erfgenaam van het stamhuis, dat de Heer zelf in vroeger dagen ten wachter over godsdienst en vrijheid gesteld heeft, terug kwam om de revolutionaire zetel te beklimmen, door de uitdrijving van Napoleon vacant; om een grondwet te verlenen, waardoor in uitlegging en praktijk aan Rousseau, althans aan Montesquieu, hulde gebracht werd; terwijl men de kracht van het gezag stelde in een centraliserend beheer en de weldaad der vrijheid in een vergadering, gevaarlijk lichaam voor de vorst, of kostbare overtolligheid voor het volk.
Begrijpelijk is het alzo, dat we lijdelijk en zonder merkbare, althans zonder werkzame weerzin, in de opgedrongen vereniging met België berust hebben; in dat samenkneden van tweeërlei bevolking, waarbij de liefde voor het liberalisme wel blind moet geweest zijn, om niet in eenheid het onoverkomelijk beletsel van eendracht, in dit gedwongen huwelijk, waar de incompatibilité d'humeur openbaar was, de onvermijdelijkheid der scheiding, in de constitutie van 1815 de voorbode der revolutie van 1830 te zien. De koning, indien hij tot christelijk-historische staatkunde ware te bewegen geweest, zou het niet aan constitutionele waarborgen en wellicht, bij de liefde en trouw van een groot deel der Belgische bevolking, niet aan fysieke overmacht hebben ontbroken. Doch ook hij vermocht niet zich aan de boeien van opvoeding en tijdgeest te ontwringen. Kunstgrepen der verlegenheid nam hij te baat, en aldus werd hij, door beurtelingse werking van vruchteloze concessiën en ijdele dreigementen, tot die volslagen machteloosheid gebracht, waardoor Nederland, om het vooruitdringen der radicale partij, al ware de opstand te Parijs achtergebleven, in verwarring en regeringloosheid en scheuring en burgerkrijg zou geraakt zijn.
Doch ik mag de verantwoordelijkheid niet uitsluitend laten rusten op een vorst, wiens verdiensten ik gewaardeerd, wiens persoon ik lief gehad heb. Nederland is medeplichtig geweest. Schoon ik gaarne al het loffelijke prijs, dat in 1813, of 1830, of 1831, ter bevrijding of bescherming van de vaderlandse grond, tot roem onzer wapenen op eigen of vreemden bodem, verricht is, mag ik niet ontveinzen, dat wij, door de heersende wanbegrippen bedwelmd, in dromerige en apathieke tevredenheid over eigen bedaardheid, in vergelijking met andere volken, voortgesluimerd hebben; totdat wij, ofschoon wakker geschud door de Belgen, in het drietal jaren, dat aan de opstand voorafging, een lijdelijkheid en vadsigheid, een ondergeschiktheid hebben betoond, deels uit toegenomen slapheid van de volksgeest, maar grotendeels ook uit matheid en meegaandheid van het hier te lande heersend liberalisme verklaarbaar. Let slechts op de gemoedsstemming, waarin wij, sedert het Franse juk verbroken werd, hebben verkeerd. Wij hebben ons doorgaans in onze politieke vaart, goedschiks en met welbehagen, aan het sleeptouw laten binden der
partij, aan welke bij afwisseling de eer der gematigde vrijzinnigheid toegekend werd. In 1813 zouden ook wij een Constitutie hebben, gelijk andere volken. In 1815 dachten ook wij, de vereniging met België zou, wanneer slechts onze hogere bekwaamheid en wijsheid de boventoon had, onschadelijk zijn. Van 1815 tot 1830 hielden wij voor goede ernst al wat te Parijs door de politieke komedianten vertoond werd. Niet zelden werd aan de potsierlijkheden der harlekijnen ons handgeklap verspild. In 1829 was Lafayette b) onze held. In Juli 1830 werd over de verdrijving der onverbeterlijke Bourbons, onder wier dwingelandij de argeloze liberalen te lang gezucht hadden, gejuicht.
Natuurlijk, dat we uit hetzelfde standpunt eigen aangelegenheden bestuurd, een redmiddel uit eigen ongelegenheden gezocht hebben. Niet uit beginsel, maar uit zelfverdediging tegen onbroederlijke broeders, uit belang en noodzaak, was het Noordelijk deel van het Rijk der Nederlanden vrijzinnig en schroomvallig. De kiemen van weerstand waren ook hier genoeg geworteld en ontkiemd, om voor het gezag bedenkelijk te kunnen worden. De ontrouw van België was ter versterking van de trouwhartigheid in Holland niet overtollig. De loop der zaken, voor en na 1830, was het gevolg der dubbele werking van overhelling naar het liberalisme en van reactie tegen de overmoed der Belgen. Toen de theorie van volkssoevereiniteit en maatschappelijk verdrag, van ondergeschiktheid des konings aan de vertegenwoordiging, der vertegenwoordiging aan de publieke opinie en aan de algemene wil, weder opgewarmd werd, geraakten wij, met minder veerkracht, in dezelfde stelling als de mannen van het jaar 1789 tegenover de Girondijnen, en deze tegen de Jacobijnen, en elke schroomvallige tegen elke doldriftige partij. Wij zouden door de liberale factie, waarmee zich de Roomse voor een tijd verbonden en geassimileerd had, weldra, blijkens de beraadslagingen in de Tweede Kamer, overstemd, overvleugeld, overmeesterd zijn geworden, indien niet een in zoverre heilzame schok te gelijk de verbintenis met België en deze band van ultra-liberale overheersing verscheurd had.
Evenmin hebben we ons te bevreemden over hetgeen onze binnen- en buitenlandse staatkunde (met de tijdgeest en de publieke mening ook ten onzent homogeen) sedert gedaan en niet gedaan heeft. Ook hier was men overtuigd, dat Karel X door verdwazing en meineed de kroon verbeurd had; dat op de strenge eisen van het erfrecht niet angstvallig behoefde te worden gelet. Ook hier was men gereed, Lodewijk Filips dank te betuigen, dat hij door bedwang der radicalen den algemene krijg belette. Geen wonder, dat men zonder uitstel of beraad de reactionaire partij in Frankrijk gehuldigd, en zelf soortgelijke staatkunde gevolgd heeft. Men kende geen vrijheid dan de vrijzinnige vrijheid, niet bondgenote, maar onverzoenlijke vijandin van recht en gezag. Ontwikkeling der constitutionele instellingen scheen gevaarlijk, althans ontijdig en ongepast: al wat gedaan of toegezegd werd, had de strekking om de opgewondenheid tot bedaren te brengen en in het status quo te berusten.
Aldus hebben wij de wasdom aanschouwd van een conservatieve richting, voor vele misbruiken, ook wel voor constitutionele vormen, maar geenszins voor burgerzin en nationale veerkracht, voor waardigheid naar buiten, voor welvaart en wezenlijke eendracht, en allerminst voor de financiën, conservatief. Dit stelsel van behoud is voortzetting der revolutie, behoud van de revolutionaire toestand, despotisme van de revolutionaire staat, in de vorm ener revolutionaire autocratie.
4. Vergunt mij te besluiten met een woord over de roeping van de evangeliebelijder, over de taak van hen, die onder de heerschappij der dwaalbegrippen met betere beginselen bekend zijn.
Zo ik niet van uw welwillendheid overtuigd ware, ik zou hierover niet zonder huivering wenken en gedachten in het midden kunnen brengen, vermits bij zo tedere stof en gedwongen beknoptheid men gevaar loopt, in een apodictische toon, vooral te uwen opzichte onvoegzaam, te vervallen. En echter heb ik geen vrijheid achter te laten, wat ons vooral behoort ter harte te gaan. Evenzeer als een iegelijk uwer heb ik een afkeer van wat in de oratorie der oudheid, als een genre op zich zelf, het spreken om vertoning te maken geroemd wordt.
Zo ik gewenst heb u, langs het pad der historie, met het licht van het evangelie, door de verschillende tijdperken der revolutionaire overmacht te voeren: het was mij minder om de wandeling zelf dan om haar einde, om het punt, waarheen zij ons gebracht heeft, te doen. Het nut der geschiedenis van de laatste tijden gaat grotendeels verloren, indien men het verband tot de geschiedenis ook van de laatste jaren miskent; indien men niet in het oog houdt, dat ook ten deze alles gevolg en overgang en aaneenschakeling is.
Om te weten, wat ons, in de ernst dezer tijden, te doen staat, behoort op
a. de behoefte aan verbetering;
b. de machteloosheid der revolutie-begrippen;
c. de kracht der christelijke beginselen
te worden gelet,
a. Behoefte aan verbetering. - De gesteldheid van het vaderland is bedroevend. Wat verlangt men? Vrede en rust tot elke prijs. Rust zou, meent men, bedreigd worden door de vrije werking der constitutionele lichamen. Ook heeft deze werking een anders moeilijk verklaarbare graad van onbeduidendheid bereikt. Er is, zei ik meermalen, revolutionaire autocratie.
Onnodig is de betuiging, dat ik geen hatelijke miskenning of ongegrond verwijt, maar enkel de aanwijzing bedoel der natuur van een uit de omstandigheden en denkbeelden van onze tijd voortgevloeid gezag. Wij leven eigenlijk niet in een monarchie, evenmin in een gemenebest; veeleer onder een centraliserend albeheer, dat men of zelf vasthoudt, of gemakshalve tussen hoge staatsbeambten verdeelt. Wij leven onder het alvermogen van een eenhoofdig revolutionair bewind, rechtens op velerlei, feitelijk op generlei wijze beperkt. Meent ge, dat ik te veel zeg? Beantwoordt zelf de vraag: hoedanig is tegenover het hoofd van de staat, waar het de volksrechten betreft, de zelfstandigheid der ministers? Wat dunkt u van de houding der Tweede Kamer en van haar volharding in eenmaal geuite wensen? Zoudt ge kans zien de eigenlijke kracht te berekenen, in dertigjarige loopbaan door de Eerste Kamer aan
de dag gelegd? Welke is, naar uw oordeel, de waarborg van het de Raad van State gehoord? Vindt gij de autonomie der gemeenten en gewesten, voor vrijheid en ontwikkeling onmisbaar, op volledige wijs met de eenheid van de staat in overeenstemming gebracht?
Wellicht is wat ik bejammer, een thans noodzakelijk kwaad. Zelfs kan wegens de omslachtigheid van het raderwerk, het verlamd zijn van sommige springveren wenselijk worden geacht. Dit slechts beweer ik, dat onvoorwaardelijke begeerte naar rust zich in de lijdelijkheid en in de zelf-neutralisering der staatsmachten openbaart. De rust zou gestoord worden. wanneer gewichtige vraagstukken, die tot verschillende beschouwingen aanleiding geven, te berde werden gebracht. Vandaar dat men minder op behandelen dan op niet-behandelen van levensquaestiën bedacht is, en dat wie op het onderzoek zou willen aandringen, gevaar loopt, al werd hij door zuivere vaderlandsliefde geleid, van heethoofdigheid en onruststokerij te worden verdacht.
Gij weet hoe het met kerk, school, armwezen, hoger en lager onderwijs, lijfstraffelijke wetgeving, stem- en kiesrecht, en vele andere belangrijke zaken gesteld is. Gij weet hoe weinig, hoe traag, en in vele opzichten hoe ganselijk niet, aan een doen ophouden der algemeen erkende verwarring zorg en moeite besteed wordt. Gij weet, dat voortdurend verzuim voortdurende verergering te weeg brengt; dat het aan de gang blijven der huishouding van staat en de uitsluitende behartiging van stoffelijke belangen geen waarborg van bestendigheid geeft, en dat de gesteldheid van het vaderland, om niet tot bederf over te slaan, verbetering behoeft 6).
b. Is men bij machte, een verandering ten goede te bewerken? Wat zal het middel ter verbetering zijn? Zal het geleverd worden door het gematigd, en in zijn gematigdheid wegstervend, liberalisme, dat vooralsnog de overhand heeft? Ach neen! Het is onvermogend die behoefte te vervullen. Het kent geen beginsel, dan welks toepassing leidt tot de verkeerdheden, waartegen voorziening vereist wordt. Waar het om tegemoetkoming aan de afgetobde kranke te doen is, loopt elke nieuwe behandeling op mishandeling uit, op palliatieven zonder geneeskracht, op waarborgen, waarbij men, onwillig, in de oude sleur raakt. In de werkeloosheid, ook der vrijzinnigen, is eigen moedeloosheid hij toeneming openbaar.
Doch ik vergis mij. Moedeloosheid heeft zich niet van allen meester gemaakt. Er zijn liberalen, bij wie de wanhoop geen post vat; volgens wie stilstand aan eigenbaat of lafheid is te wijten; die, was hun band vrij, de hand aan het werk zouden slaan; die verlevendiging der constitutionele instellingen verlangen; die radicale herziening der grondwet ten doel hebben, en uit wier hoofd en hart een van alle zijden bezienswaardig ontwerp van echt-liberalen staatsvorm, met ontbindbare kamers en verantwoordelijk ministerie en rechtstreekse verkiezingen, op het papier gevloeid is 7). Ik breng gaarne hulde aan deze goeden wil. Ik zou niet durven ontkennen, dat hun project boven de tegenwoordige staatsvorm de voorkeur verdient. Doch na wijziging der vormen zou het wezen der zaak geen verandering ondergaan. Met behoud van de wortel van het kwaad is geen herstel denkbaar, dat radicaal, dat is, uit anderen wortel afgeleid zij. Er zal verandering van geweldhebbers zijn met instandhouding van het geweld; hetzelfde despotisme van den revolutionaire staat; dezelfde ongodisterij der wet; dezelfde miskenning van de hoogsten Wetgever en Koning; dezelfde onderwerping van de kerk aan de staat; dezelfde centralisatie, te gelijk zwaard en schild van het bewind; dezelfde willekeur, ook in al wat tot verkregen rechten en eigenaardige zelfstandigheid behoort.
Het komt mij voor, dat ik tot nader aanwijzing van het onvermogen dezer mannen der toekomst en der belofte verplicht ben. Wilt ge vernemen waarom? Ik twijfel, of de partij der beweging voor het ogenblik kans op grote voordelen heeft. Algemeen begrijpt men, dat een wankelend gebouw alleen door onbeweeglijkheid nog enigen tijd kan blijven staan. Het gouvernement vindt aldus een steun, waarbij het schier al wat der regering welgevallig is, zonder tegenspraak, althans zonder tegenstand, zou kunnen verrichten. Zij, door wie nog een overblijfsel en schijn van oppositie gevormd wordt, zullen stof hebben, meer tot een klaag- dan tot een triomfzang.
De herinnering is niet overtollig, dat de oorzaak van dit onvermogen dieper dan in de onwil der mensen, dat ze in de strekking hunner eigen beginselen ligt. Waar is het onderpand hunner fraaie beloften? Ik mistrouw de oprechtheid niet der betuiging, doch ik wijs op zo velen, wier oprechtheid evenmin twijfelachtig scheen, en die, aan het bewind gekomen, zich van de macht, die zij voor de vrijheid begeerd hadden, tegen haar bediend hebben. Ik toon de oorzaak van die gedwongen trouweloosheid en afval in de kracht der begrippen, door welke ook de hedendaagse staatshervormers worden geleid. Zij verwonderen zich, dat er voor al wat weleer en onlangs nog geestdrift of althans ijver en aandacht wekte, geen belangstelling is, dat hun stem geen weerklank vindt, dat het geroep om grondwetsherziening, voor weinige maanden in de Tweede Kamer bijna als de klank ener oorlogstrompet gehoord, gedurig meer naar de nauwelijks verneembare zucht van een zieltogende gelijkt. Gevoelen zij dan niet, dat het vaderland iets meer dan flauwe uitzichten ener wijziging van het constitutionele lapwerk behoeft? 8) Menen zij, dat dorst naar recht en waarheid gelest wordt door een vertoning als die van 1840, door inlassing van enige artikels in een grondwet? Zijn zij onbekend met de verbazende vorderingen ener uitlegkunde, die de regel "ieder ketter heeft zijn letter" op politieke ketterijen in de interpretatie ook van grondwetten in praktijk brengt? Verwachten zij, dat er even lang lichtgelovigheid wezen zal bij de slachtoffers der politieke experimenten, als er, ondanks het verergeren der kwaal, zelfvertrouwen bij de heelmeesteren is? De vrijheid met ophef beloven, dit kunnen zij; de vrijheid geven, dit kunnen zij niet. Zo ze wisten, wat vrijheid betekent, zouden zij, minder ijverig voor bijkans afgesleten vormen, meer nauwgezet zijn in hetgeen tot de eerste en, waar men door geen valse theorieën verblind wordt, tot de onmiskenbare elementen van ware vrijheid behoort.
Onder de treurige verschijnselen van onzen tijd ken ik er, zo de diepte van de afgrond moet worden gepeild, geen, met de toenemende verstomping van het rechtsgevoel vergelijkbaar. Er is nog wel enige zucht voor de omwerking van kieswetten. Er worden nog wel architecten gevonden, ter levering van een politiek papier-gebouw of kaartenhuis bereid. Doch vrijheidszin, waarbij men niet eigen macht en willekeur, maar eerbiediging der rechten ook van anderen ten doel heeft, is er bijkans niet meer. De snaar, welke door het onrecht in beweging gebracht werd, is gesprongen, en de algemene onverschilligheid bij de vertreding der heiligste rechten, zolang men zelf in het bezit blijft van levensgenot, bewijst de dodelijke invloed ener valse theorie op de edelste aandoeningen van het menselijk hart.
Ter verduidelijking, ter rechtvaardiging, kies ik twee overbekende voorbeelden: de Hervormde Kerk en het Onderwijs: omdat ze mij door opzettelijk onderzoek van nabij bekend zijn.
De Kerk. Ik treed in geen theologische geschillen. Ik spreek niet van de eigendunkelijkheid, waarmede in 1815 de kerk van regeringswege georganiseerd is. Maar dat, wanneer zodanige organisatie ter vestiging van het alvermogen van hen, die aan de leer der kerk ontrouw zijn, gestrekt heeft; wanneer de macht van het gouvernement gebruikt is om de opleiding der toekomstige leraars te brengen onder vijanden van hetgeen, volgens de leer
der kerk, de leer der zaligheid is; dat alsdan aan de getrouwe belijders, reeds aldus schromelijk verongelijkt, het samenkomen tot onderlinge godsdienstoefening, lange tijd onvoorwaardelijk verboden, thans in de regel enkel op voorwaarde van hun eigen kerk te verlaten, vergund is 9); dit noem ik overmaat van onrecht, mogelijk alleen wanneer bij de meesten het rechtsgevoel uitgedoofd is, en de vrijheid hun, zo niet een gevaarlijke, een lastige en ijdele klank is.
Het Onderwijs. Ik spreek niet van de verderfelijke richting, die in het openbaar schoolwezen, minder naar het oorspronkelijke doel dan naar gewijzigde toepassing der wet van 1806, de overhand heeft. Ik ben niet voornemens hier de mening te bestrijden, die, om tegen de Roomsgezinden ons te beschermen, het Woord, waarop de vaderen gesteund hebben, uit de scholen verbant. Maar dat, wanneer aan zodanig systeem niet enkel begunstiging en voorrang, maar overheersing toegekend wordt, aan hen voor wie een ander soort van opvoeding gewetenszaak is, het recht ontzegd wordt, op eigen kosten, voor zich en anderen, ter kwijting van hun geweten, een schuilplaats in bijzondere scholen te hebben; dat een besluit, ter gemoetkoming uitgevaardigd, vier jaren achtereen, met steeds vermeerderende willekeur, in tegenspraak met de vorstelijke wil kan worden geïnterpreteerd, en dat, ondanks ernstig beklag van een aanmerkelijk getal onzer landgenoten, weinigen de moeite nemen naar de zaak onderzoek te doen: dit noem ik in ons land een teken der tijden; een bewijs der verharding, waartoe men door langdurig spelen met woorden en beginsels gebracht is.
Maar tevens zie ik hierin een blijk, hoe weinig wij te hopen zouden hebben van de overmacht der vrijzinnigen, bij wie, gelijk in 1844, ook thans nog een, naar hun inzien, voorbeeldige grondwet in de maak is. Ik heb recht, aan die verdienstelijke kunstenaars te zeggen: ik bewonder uw onvermoeidheid, en wellicht ook uw talenten, in het vervaardigen, ten minste in het aftekenen, van een werktuig om drenkelingen te behouden, maar ik bid u, terwijl ik in het water lig, reik mij even de hand! Ik ben overtuigd, dat ge ons zeer lezenswaardige proeven en schetsen leveren zult, die ik gaarne, met keurige omslag, in mijn verzameling van politieke alchimisterij zal laten prijken, doch laat ook uw tijdgenoten een weinig van de vrijheid genieten, welke gij zo ruimschoots voor de nakomelingschap bereidt!
Ik heb recht mij te beklagen, wanneer door hen, die op zo hoge toon van vrijheid en grondwet gewag maken, bij soortgelijke ergernis een ergerlijk stilzwijgen bewaard wordt. Evenwel de verontwaardiging, rechtmatig en billijk, zou overdreven en onbillijk kunnen zijn. Immers ben ik geneigd te onderstellen, dat onze tegenstanders in de verdrukking om der godsdienstwille geen welbehagen zouden scheppen, indien ze hun niet bij uitnemendheid te pas kwam. Ik acht, dat zij gaarne vrijheid, met hun beginselen verenigbaar, zouden verlenen; maar zij ondervinden, dat elke vrijheid, niet ten dienste hunner inzichten gemonopoliseerd, hun meesterschap bedreigt. Dit maakt hen telkens, ook tegen de inspraak van hun gemoed, aan de voorschriften van het liberalisme getrouw.
Het valt niet te ontkennen, dat elke maatregel van eigendunkelijkheid, hoe afkeurenswaard, evenwel in de denkbeelden van staatseenheid en staatsoppermacht en staatswelzijn en staatsbehoud, verontschuldiging en rechtvaardiging vindt. Neen! Voorstanders der liberale begrippen, al mochten zij de wil bezitten, zijn onvermogend mij te schenken wat ik behoef, wat ik eis, wat tot mijn rechten als burger, als Nederlander, als Christen, behoort. Zij gaan naar het voorschrift te werk van een der talloze sekten, wier verscheidenheid telkens naar de eenheid van despotisch gezag voert. Zij maken te zamen de voortzetting uit van de tweeërlei richting der revolutie-leer: ontwikkeling, die het onuitvoerlijke begeert ten uitvoer te leggen; reactie, die op bedwang van het onbedwingbare, op gewetensdwang, bedacht is; terwijl beide vasthouden aan een beginsel, dat, onuitputtelijk in belofte, zelf het onoverkomelijk beletsel van verwezenlijking, zelfs de bron van gestadige teleurstelling is 10).
c. Waar het de roeping der Christenen geldt, wijs ik op de kracht van het christelijk beginsel.
De laatste verschansing tegen de waarheden, die wij voorstaan is, dat het theoretische begrippen zijn, zonder nut voor de praktijk. Een beweren, waarbij men uitgaat van de niet zeer aannemelijke onderstelling, dat tussen denken en handelen geen verband is.
Wij zijn, zegt men, in het staatsrecht ijverige en gestrenge recensenten, wier eigen opstellen men vruchteloos tegemoet ziet. Welnu: "Ook de slijpsteen is nuttig, al snijdt die zelf niet". Ook reeds weerlegging der valse begrippen heeft zeer groot nut. Het is een niet geringe weldaad, wanneer men de wandelaar waarschuwt tegen een dwaalspoor, de arbeider tegen het verspillen der krachten aan ijdel werk, de hongerige en dorstige tegen het uitwegen van geld voor wat geen brood is, tegen het uithouwen van gebroken bakken, waaruit het water wegvliet. De waarschuwing zelf is drijfveer tot onderzoek naar de goeden weg, naar de voedzame spijs, naar de frisse wateren ener levendige bron.
Doch het christelijk-historisch beginsel leidt ook meer rechtstreeks naar politieke winst. De waarheid van een beginsel blijkt ook in het rekbare der toepassing. Zij is velerlei en ik zal niet, in de bijzonderheden, u een utopia schetsen. Wanneer ik op restauratie het oog heb, is het mij niet te doen om terugkering tot verouderde vormen, om plotselinge omkering van de maatschappelijke toestand, om miskenning der rechten van allen, ten behoeve ener partij. Maar door de ervaring en het eeuwigblijvend Woord der Openbaring geleerd en geleid, beweer ik de onveranderlijkheid van waarheden, wier verzaking tot dwaalbegrippen gevoerd heeft, waarvan het onvermogen en de verderfelijkheid dagelijks meer in het oog valt. Een naar de omstandigheden gewijzigde toepassing van het christelijk staatsrecht is de ware behoefte van onze tijd.
Is dergelijk een toepassing mogelijk? Waarom niet? Het niet praktikale zou alleen uit de beginselen zelf, uit de omstandigheden, of uit de personen ontstaan.
Uit de beginselen? Hoe dan? Elke waarheid is praktikaal, èn op zich zelve, èn omdat zij met andere waarheden in verband is. De waarheid, ook in het staatsrecht, heeft onberekenbare kracht, omdat men haar grondslag of afdruksel en wederkaatsing overal terugvindt; in het evangelie, in het rechtsgevoel, in de geschiedenis der Oudheid of der nieuwere volken, in de lotgevallen van het vaderland, in de historie vooral van die tijden, waarin men ze opzettelijk en stelselmatig bestrijdt. Onderwerping aan de waarheid is de enige ware praktijk. De vermaning van Cassandra was praktikaal, ofschoon ze in de wind geslagen en Troje aldus aan de verdelging prijs gegeven werd. De voorschriften van recht en menselijkheid waren praktikaal onder Robespierre, de vrijheid der ingezetenen en de onafhankelijkheid der volken onder Napoleon. De verkondiging van het evangelie is praktikaal, ook waar zij enkel tegenstand wekt. De aanprijzing der anti-revolutionaire waarheden praktikaal, ook waar het revolutie-beginsel de overhand behoudt.
Maar de omstandigheden!, zegt men, door deze kan evenwel de praktijk uwer praktikale beginselen worden belet. Voorzeker, indien wij door praktijk een spoedige en aldus ook voor ons zelf profijtelijke overwinning verstaan. Doch ook bij ongunst der omstandigheden kan er getuigenis afgelegd worden. Dit voortdurend getuigenis zelve is reeds krachtige praktijk. De prediking der gerechtigheid is, onder het voortduren der ongerechtigheid, niet overtollig. De taal van hem, die zich tegen de alvermogende dwingeland verheft, gaat niet verloren, omdat hij zelf slachtoffer zijner edele vrijmoedigheid wordt.
Doch wij behoeven de kracht van onze beginselen niet tot zodanig protest te beperken. Geredelijk erken ik, dat er een tijd geweest is, waarin men weinig meer dan dit kon verrichten, doch ik zou niet durven beweren, dat dit na onze bevrijding van het Franse juk, dat dit in 1813, in 1815, in 1830, in 1840 het geval was. Ik geloof veeleer, dat er reeds bij de heugelijke ommekeer van negentienjarig lijden, en dat er daarna bij elke crisis gelegenheid was, door terugkering tot betere begrippen wezenlijke verbetering te bewerken. Zo men die begrippen gekend en gewaardeerd had, zou men niet genoodzaakt zijn geweest zich zo onvoorwaardelijk over te geven aan het revolutie-beginsel, een zo bouwvallig rijk der Nederlanden te stichten, de dierbaarste herinneringen der natie zo geheel ter zijde te leggen. Men zou niet alles verkregen hebben, maar er zou niet zoveel verloren zijn geraakt 11).
Ik mag het antwoord niet ontwijken op de vraag, wat ik omtrent de geschiktheid van het ogenblik denk. Ik houd het niet voor gunstig. Ijdele hoop en fraaie voorspiegeling baat niet. Onnodig is het ook te herhalen, dat we leven in een tijd van verslapping. Een crisis, heilrijk voor het kranke lichaam, hebben wij binnen kort niet te wachten. Wij beloven u geen volledige, geen spoedige, geen licht verkrijgbare triomf. Niemand houde zich bezig met anti-revolutionaire politiek, indien hij het heil des vaderlands begeert enkel op een weg, langs welke de wandelaar voor eigen wensen en belangen bevrediging vindt. Maar hebt ge van dergelijk een kleingeestigheid afkeer, laat ons dan opmerken, wat trouwens in het oog valt, dat het aan gelegenheid ter plichtsvervulling niet ontbreekt. Of is het verkondigen van beginselen een weinig betekenend werk? Gelooft gij dat er, ik zeg niet enkel in de geschriften, maar in de gesprekken der l8de eeuw, geringe kracht ter voorbereiding van de Revolutie lag? Er ligt ook thans in vrijmoedige belijdenis van uw overtuiging een vermogen, waarvan de werking alleen aan Hem, die de wasdom geeft, bekend is. Wij hebben lang genoeg gesproken en geschreven, hoort men somwijlen, de tijd van handelen is daar! Alsof spreken en schrijven geen handelen was, en alleen de zaaier niets deed. Ik erken, dat die aansporing ook een gezonde en veelbetekenende zin heeft, wanneer ze ons wijst op de noodzakelijkheid om niet bij bespiegeling te blijven, waar beoefening vergund is.
Laat ons getrouw zijn, een iegelijk op eigen post. Laat ons bedenken dat, zo het ons niet gegeven wordt grote dingen te verrichten, de ergste ontrouw in de kleinste zaken kan worden gepleegd; dat, zo de prediking daad mag heten, ook de daad predikt. Laat ons, bij de zeer geringe opofferingen, waartoe wij vooralsnog geroepen worden, ter plichtsbetrachting en zelfverloochening in het oog houden, dat de heerschappij der waarheid veld gewonnen heeft door getuigen, die de kracht hadden om, waar het nodig was, getuigen tot in de dood, in de meest praktische zin martelaars te zijn.
Onmogelijkheid der toepassing kan het gevolg worden van de gezindheid en handelwijs der personen, of omdat zij de beginselen niet kennen, of omdat veerkracht ontbreekt om ze in beoefening te brengen. Zou wellicht het laatste bij ons het geval zijn? Zelfverheffing wordt dikwerf, somtijds zeer ten onrechte, somtijds zeer terecht, aan Christenen ten laste
gelegd. Dit is zeker, dat, zo het bedorven hart hoogmoedig maakt, de waarheid naar verootmoediging leidt. Naarmate wij meer kennis bezitten, valt het contrast van weten en doen meer in het oog. Hoe meer kracht er in de belijdenis erkend wordt, des te waarschijnlijker komt het onvermogen op rekening van de belijder. Wat mij betreft, ik beken schuld. Doch zelfbeschuldiging, wanneer zij oprecht is, bepaalt zich niet bij ijdel beklag. Beter is het, elkander op de enige springader te wijzen, waaruit al, wat wij ter bekrachtiging behoeven, mildelijk vloeit. Niet in het rijk der bespiegelingen ener hoogdravende wijsheid ligt de oorsprong dezer levensfontein, maar aan de voet der kruispaal, door de barmhartigheid van God onze Zaligmaker tot levensboom gemaakt.
Gij kent nu de gedachte, waarop al wat ik tot u gesproken heb neerkomt: dat de Revolutie het gevolg is der revolutie-leer en die leer zelve het gevolg der evangelieverwerping. De evangelische waarheden, wier onmisbaarheid nooit treffender dan in hun gemis bleek, zijn geen mysteriën, waarin men door diepzinnigheid of lichtzinnigheid ener menselijke filosofie ingewijd wordt. Het zijn de verborgenheden, welke de Heer de nederige en zachtmoedige bekend maakt; de waarheden, welke even stellig als eenvoudig in de Heilige Schrift uitgedrukt zijn: vrede door het bloed des kruises; een offer, waardoor het rantsoen voor velen betaald is; verandering des harten, zichtbaar in de werkzaamheid der liefde en in het licht der goede werken; voorwerp der veelsoortige bestrijding, doch waarvan de Zaligmaker zegt: "Ik dank U, Vader! Heer des hemels en der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt ze de kinderkens geopenbaard". De kinderlijke aanneming dezer dingen is de eerste voorwaarde om de verborgenheden der wetenschap te leren verstaan.
Van mij hebt gij geen geringschatting te wachten van enige arbeid, waaraan de wereld gewoon is, en met recht, uitstekende waarde te hechten. Veeleer ben ik overtuigd dat, voor zover we door aanleg, studie, maatschappelijke betrekking, er toe worden geroepen, wij verplicht zijn, op het veld der wetenschap en staatkunde, wat onze hand vindt te doen, met alle macht te verrichten. Maar tevens wordt in mij de overtuiging dagelijks vaster, dat al ons zwoegen vruchteloos blijft, zolang door de staketselen van menselijke wijsheid de koesterende zonneschijn van de akker geweerd wordt. Laat ons wat de wereld, zo niet verderfelijk, althans klein acht, niet verachten. Veel wat de wereld groot acht, is klein; veel wat ze klein acht, is groot. "Tracht niet naar de hoge dingen, maar voegt u tot de nederige". Naar de nederige zich te voegen is het middel om ook, wat de wereld het hogere noemt, te verkrijgen en te bewerken.
Indien wij, bewust dat verstandelijke overtuiging omtrent de waarheid van het evangelie ons te beurt is gevallen, desniettemin een kleine kracht en machteloosheid ontwaren, die ons dikwerf bedroeft en ontmoedigt, laat ons met biddende ernst onderzoeken, of al dan niet de vonk ontbreekt, die het dode en dorre samenstel der godgeleerdheid levend en vruchtbaar maakt.
Het geloof overwint de wereld. Om de wereld te overwinnen, is het nodig vooraf in ons eigen gemoed de overleggingen ter neder te werpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis Gods, en alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van CHRISTUS. Laat ons in het oog houden, dat aan den kreet "Kom mijn ongelovigheid te hulp!", het "Ik geloof, Heer!" voorafgaat. Laat ons nooit vergeten, dat generlei werkzaamheid in de schatting van de Kenner der harten waardij heeft, indien ze niet geheiligd wordt door de tweeërlei bede: "Wees mij zondaar genadig!" en: "Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw Woord".
1) Handboek, § 587, 606.
2) Uitdrukking van het Berliner politisches Wochenblatt.
3) "Ook niet christelijke geest is een macht als nooit tevoren..... Vroeger vormde de kracht der kerkelijke zeden nog een dam tegen de geesten van verloochening, maar voor de stroom van de nieuwe tijd storten deze dammen van de vaste vormen der traditie steeds verder in. Bovendien kwamen de aanvallen vroeger meer bij vlagen, thans zijn ze stelselmatig......
Sinds de aanvallen van de Fransen geest in de dagen van Voltaire heeft de loochening van het Christendom een leerschool doorlopen, de filosofische school van de Duitse geest, en is tot een systeem geworden, dat ernstig tracht zich in de plaats van het Christendom te stellen". Luthard, t.a.p. - Voeg daarbij een scheiding van Staat en Kerk, die op vijandschap ener humanistische staatskerk tegen alle geopenbaarde waarheid uitloopt. "Op het negatieve en schampere ongeloof is een ongeloof gevolgd, dat gelovig is, een vurig atheïsme, een geestdriftig materialisme. De goddeloosheid is in onze dagen een religie. Vermoeid van afbreken, bouwt zij op; zat van ontbinden, organiseert zij. Haar adepten vormen een kerk. Nimmer was het kwaad zo stoutmoedig, want (o afschuw!) het heeft een overtuiging. Het versterkt zichzelf door alle boze neigingen, die het tot beginselen verklaart, en door alle ellende, waarvoor het een einde en weerwraak belooft". Het was in 1845 reeds, dat Vinet dit schreef.
4) Handboek, § 771a en § 772.
5) Uitdrukkingen van "een der bekwaamste hoofden der hele omwentelingsgezinden van 1795", Valckenaer, in een brief, die een treffend blijk is van het bestaan, ook in Nederland, ener beredeneerde terroristische gezindheid. Dit karakteristieke epistel is opgenomen in het belangrijke werk: R. J. Schimmelpenninck en enige gebeurtenissen van zijn tijd. 's Hage en Amst. 1845, I, 52-62.
6) Aldus in 1845. Vergelijk de toestand in 1861 Ter Naged. v. Stahl, blz. 23. - En in 1868? Zie om u heen!
7) Over aard en strekking van het voorstel van Thorbecke c.s., zie Verscheidenheden over Staatsregt en Politiek, blz. 272 - 283.
8) "Wat is het middel om een land vrij te maken? Moet men het een Vrijzinnige grondwet schenken? Nee, men moet het de levenswijze bijbrengen, die hij de vrijheid behoort". Jules Simon, De la liberté civile (Paris 1867). - "Een Grondwet, hoe voortreffelijk ook, is niets meer dan een vorm", Nederl. Ged. 1829. Een vorm, die de vrijzinnigheid, ter ontfutseling van historische en ook grondwettige rechten en vrijheden, maar al te dikwerf heeft overmeesterd. Parl. Stud. en Schetsen II. 347.
9) Besluit van 9 Jan. 1841. - Zie bijv. Adviezen, II. 285 vgg. en Grondwetherz. en Eensgez. blz. 403-468 (kerkelijk staatsregt)
10) Het komt mij voor, dat conservatieven en radicalen (wier vaderlandslievende bedoeling, uit hun oogpunt, ik gaarne waardeer), door de onweerstaanbaarheid van het gemeenschappelijk beginsel en aan de standaard van 1789 getrouw, in de miskenning zowel van de rechten der kroon, als van de vrijheden der natie, homogeen zijn. Parl. Fragm., blz. 184.
11)Weldra, na 1848, in de landsvergadering gebracht, heb ik, in en buiten de Kamer, het vormen, of laat mij juister zeggen, het tot plichtmatige werkzaamheid brengen ener reeds bestaande christelijk-historische en dien ten gevolge anti revolutionaire partij beproefd. (Zie mijn Adviezen en het betoog: "de anti revolutionaire partij hier te lande, in haar beginsel en kracht": Grondwetherz. en Eensgez., 61-138.)
Of mij dit enigermate gelukt is?
Twintig jaren na het schrijven van Ongeloof en Revolutie (1865) schreef ik: "De uitnemendste publicisten van onze leeftijd, Guizot, Stahl, de Tocqueville, een Christen als Vinet, hebben herinnerd, wat ook onze eigen geschiedenis leert, dat de Christenen, ijverende voor de vrijheid om God te dienen, tevens en even daardoor, als stichters van de voortreffelijkste regeringsvormen, het zout der maatschappij geweest zijn. En wij, wier voorbeeld en invloed, wier trouw aan de christelijk-historische richting, ter bezieling van de constitutionele staat, ter overwinning van de vrijzinnigheid door de vrijheid, had kunnen en had moeten strekken, wat deden en wat doen wij? Niets. We cijferen ons weg. We maken ons kleiner. We zijn, omdat ons streven geen hoger ideaal kent, een coterie in de Kerk, meelopers of paria's in de Staat. Wij klagen allereerst en heftigst over Thorbecke, en dan over de Tweede Kamer, en dan over de vrijzinnigen, en dan over de Roomsen, en dan over wat niet al, en wij vergeten te klagen over ons zelf, over eigen lijdelijkheid, lauwheid, lafheid. Wij verdienen wellicht in dubbele mate het verwijt, dat ik mij in de Tweede Kamer tegen de conservatieven, die het onbeantwoord lieten, heb veroorloofd: van te zijn, niet "een actieve politieke partij", maar jammerend aanschouwer, "bijna steeds een treurend toeschouwer, die de invloed op de gang van zaken, die hem toekomt, niet uitoefent". - Ik eerbiedig, al begrijp ik ze niet, de gemoedsbezwaren van enkele vrienden, als ware uitoefening van het staatsburgerschap medeplichtigheid aan de Revolutie. Doch aan hen, die geenszins delen in dit bezwaar en volgens wie de grondwet geen politieke geloofsbelijdenis voorschrijft, maar alleen tot nauwgezette naleving van haar bepalingen verbindt, aan hen moet ik onder het oog brengen, dat het bijkans volslagen gemis aan publieke geest, aan staatsburgerzin, dat de onverschilligheid voor de publieke zaak, waarmee men de toekomst van Nederland aan het ongeloof overlaat en overgeeft, dat die karaktertrek, ook van het christelijk-algemeen onzer dagen, hoogst zorgwekkend en met zelfzucht, de gestadige vijandin ook van de christen, in onloochenbaar verband is. We worden, zei ik meermalen, hier te lande in staat en in kerk door individualistische miskenning van de meest eenvoudige eis van vaderlandse en christelijke plichtsbetrachting verteerd. Doch het is niet enkel wetenschappelijk dwaalbegrip, dat ik hierdoor versta. Al zijn we voor de individualistische theorie niet ten onrechte beducht, laat ons vooral waken tegen het individualisme van eigen hart, dubbel groeikrachtig, omdat het wortelt in de gebreken van onzen landaard en van onzen leeftijd. Beter dan met eigen woorden, zal ik meedelen wat ik bedoel en gevoel in de taal van een schrijver, aan wie ik onder mijn geliefde auteurs een eerste rang toeken, van de Tocqueville, waar hij van de praktische wijsheid van een ontzenuwde maatschappij deze karakterschets geeft: "Het individualisme is een weloverwogen en vreedzaam gevoel, dat elke burger gezind maakt om zich van de massa van zijns gelijken af te zonderen, en zich ter zijde terug te trekken met zijn gezin en zijn vrienden dusdanig, dat hij, nadat hij zich zo een kleine samenleving voor eigen gebruik heeft geschapen, gaarne de grote maatschappij aan haar lot overlaat". De vaderlandsliefde lost zich op in huisvaderlijk familiezwak". Aan de Kiezers, XX, 19.
Verre van mij evenwel, deze soort van philippica, die tegen den individualist egoïst gericht is, toepasselijk te maken op elk, die liever in onopgemerkte kring zijn kracht aan evangelische arbeid besteedt. Veeleer waardeer ik de voor mij althans beschamende ijver van menigeen, die, zonder zich in enig strijdgewoel te mengen, door eigen werkzaamheid onberekenbaar nut sticht. In zover alleen moet ik het afkeuren, als het somtijds met principiële afkeer van al wat naar politieke en kerkelijke partij zweemt, vergezeld is. Want onder de oorzaken van onze machteloosheid reken ik vooral ook het stelselmatig individualisme, waardoor men, ten gevolge van misbegrip omtrent kerk en staat, beiden van lieverlede aan de ongeloofstheorieën prijs geeft. - Zie het vertoog: "Over de schadelijke werking der individualistische theorie, in het politiek overleg zichtbaar", in mijn beschouwingen Over het ontwerp van wet op het lager onderwijs. 1857.
a) D.w.z. door wat voordeel belooft en door de zucht om eigen grondgebied te vergroten.
b) Lafayette, die ook in de Franse Revolutie een rol gespeeld bad, was in 1829 een der voormannen van de liberale oppositie tegen de regering van Karel X.