Ligt in de Reformatie de oorzaak der Revolutie? Zeer velen hebben dit beweerd.
Bijkans alle Roomsen, die waarlijk Roomsgezind zijn. Mannen, op het gebied der wetenschap beroemd; de ganse school van de Bonald, le Maître, de la Mennais. Hun redenering is aan de onze nagenoeg gelijk. Ook voor hen is de omwenteling niet uit louter stoffelijke oorzaken verklaarbaar. Ook zij zoeken haar oorsprong in de ontwikkeling van ideeën. Ook zij beweren, dat de revolutionaire theorie niet enkel aan verbastering van het staatsrecht is te wijten. Ook zij betogen, dat de politieke brandstof door het ongeloof werd aangeblazen tot revolutionairen gloed. Maar wie draagt, volgens hen, van dit ongeloof de schuld? De Hervorming. Waarom? Omdat zij de soevereiniteit der rede, en alzo een beginsel van ongeloof en van opstand op de voorgrond gesteld heeft. Elders 1) heb ik een aantal plaatsen aangehaald uit hun geschriften. Ik vergenoeg mij thans met een citaat uit de la Mennais: "Van haar oorsprong af was de Hervorming niets anders dan een stelsel van anarchistische filosofie en een monsterlijke aanslag op de algemene macht, die de samenleving der redelijke wezens bestuurt. Zij voerde de menselijke geest terug naar het heidendom" 2).
Dezelfde stelling wordt verdedigd, doch in andere zin, door al, wie zich op de naam van liberaal verheft: zowel pseudo-Roomsen, door uiterlijke band aan Rome gehecht, als protestanten, voor wie de kracht en waarde der Hervorming enkel in het protesterend element ligt. Volgens hen allen is de strekking der Revolutie weldadig, al hebben misbruiken en gruwelen haar afzichtelijk gemaakt. Het zonnelicht is niet te miskennen, al is het in de nevelen van de morgenstond gehuld. De Revolutie, ten doel aan doorgaans kleingeestige laster, heeft menige verkeerdheid weggenomen, menige verbetering bewerkt. Zij zal het bij toeneming doen, naarmate zij uitbreiding en regeling ontvangt. Vanwaar deze heilzame richting? De menselijke geest, van boeien losgemaakt, overwon alle beletselen op de weg naar waarheid en vrijheid. En van wanneer dagtekent die emancipatie? Van de gezegende tijd der Hervorming, toen de vrijheid van onderzoek het eerste en gewichtigste geloofsartikel werd.
Van deze gang der redenering zijn talloze voorbeelden overbekend. Ik noem slechts Cousin en Guizot. De eerste schrijft: "De onafhankelijke wijsbegeerte begint in de l6de eeuw, groeit in de l7de, en zegeviert in de l8de. De l6de eeuw is het begin van de filosofische revolutie, die tegelijkertijd zwak, vurig en blind was, zoals al wat begint; de l7de geeft haar vastheid en regelmaat; de l8de maakt haar algemeen en verbreidt haar. Dit zijn de drie perioden van de revolutie, die de moderne filosofie heeft voortgebracht" 3)
Guizot beweert: "De Hervorming is een grote poging tot bevrijding van het menselijk denken, en, om de dingen bij hun naam te noemen, een opstand van de menselijke geest tegen het absoluut gezag in geestelijke dingen.... De crisis van de l6de eeuw was niet maar eenvoudig reformatorisch, zij was in wezen revolutionair. Het is onmogelijk, haar dit karakter te ontnemen, met zijn deugden en zijn gebreken" 4).
En wilt gij meer lofredenaars? Ik noem u allen, die in godgeleerdheid of wijsbegeerte, historie of letterkunde, zonder Christenen in het hart te zijn, van de Hervorming melding hebben gemaakt; alle filosofen, die geen christen-wijsgeren geweest zijn, alle neologen 5), alle rationalisten. Ik noem, om het tegenwoordig belang der zaak, de theologische school, die in ons vaderland, wellicht ook om haar oppervlakkigheid zelve, thans zoveel opgang maakt, de zogenaamde Groninger school, die zich niet ontziet vrijheid van onderzoek, zonder perk of maat, als de leus der Hervorming van de zestiende eeuw en als hedendaags model te beschrijven.
De stelling is onweerlegbaar, indien de onderstelling juist is. Dan zie ik ter verdediging der Reformatie geen kans. Berust zij op ter zijde stelling van gezag en op vrijheid van onderzoek, dan geldt het gezegde: "Elk godsdienstig stelsel, dat gebaseerd is op ontkenning van het gezag, bergt het atheïsme in zijn schoot, en brengt dat vroeg of laat voort. De staatkundige anarchie is niets anders dan een der verschijningsvormen van de godsdienstige anarchie" 6). Er is dan onmiskenbare overeenkomst en verwantschap, zedelijke analogie en genealogie tussen het beginsel van Luther en de leer, door Voltaire en Rousseau gepredikt, door Robespierre en Marat in praktijk gebracht.
Doch is de hypothese waar? Neen. Het is thans niet moeilijk, haar onjuistheid te doen inzien.
Vroeger wel, om de menigvuldigheid en alleenheersing der vooroordelen op historisch gebied. Nu daarentegen is het tijdperk der Hervorming zozeer, door uitgave van stukken en geloofsherleving, toegelicht, dat men weldra het misverstand, lange tijd algemeen en verschoonlijk, niet te goeder trouw zal kunnen begaan. Is dit zo, dan mag ik mij te minder onttrekken aan het weerleggen van een dwaling, die, onder de vorm van beschuldiging of lofspraak, de Hervorming van zegen in vloek der Christenheid zou herscheppen, en die omtrent oorsprong en geneesmiddel der Revolutie voorstellingen wettigt, welke met gronddenkbeeld en hoofdbedoeling dezer voorlezingen in tegenspraak zijn.
Let op het beginsel der Hervorming, op haar leer en op haar werking.
Het beginsel - Is het vrijheid? De Hervorming gelijk het Evangelie, predikt vrijheid; maar vrijheid in onderwerping gegrond. Onderwerping aan Gods Woord en wet, onderwerping aan elke waarheid, uit Gods Woord afgeleid; aan elk gezag, van Gods gezag ontleend. Vrijheid ter plichtbetrachting, vrijheid van der mensen willekeur, om de wil Gods gehoorzaam te zijn.
De Hervorming wil vrij zijn van menselijke traditie, waar deze de Bijbel weerspreekt; vrij van menselijk bevel, waar dit tegen de bevelen Gods strijdt. Zij wil biddend onderzoek van Gods Woord, niet om de Openbaring voor de Rede, maar om de vermetelheid van het verstand voor het hoger licht der Openbaring te doen zwichten. Wetende dat alle Schrift van God ingegeven is, geeft zij de Bijbel aan allen in de hand, niet omdat zij op de wijsheid van mensen rekening maakt, maar omdat zij op de belofte des Heiligen Geestes vertrouwt, en de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen, die des Geestes Gods zijn.
De Hervorming wil vrijheid, niet om aan Vorsten of Overheden de wet te stellen; niet om zich politische voorrechten te verschaffen; niet om de vrijheid te hebben als deksel der boosheid, maar als dienstknechten Gods. Vrijheid om God te dienen, om de Heer te belijden. Geen vrijheid om in elke staat elk gevoelen uit te spreken en aan te prijzen, maar vrijheid om, waar de overheid zich christelijk noemt, de geboden van Christus te onderhouden, of, zo plichtsvervulling belet wordt, naar elders, ter opvolging van wat de conscientie voorschrijft, te wijken. De Christen weet: "Indien de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zult gij waarlijk vrij zijn." Vrij van de vloek der wet, vrij van de heerschappij der zonde, vrij van het verderf. Waar over Aardse Machten spraak is, kent hij een vrijheid ook in het dienen; vrijheid om in elke betrekking dienstknecht van God en, in Zijn dienst, dienaar en onderdaan ook van de mensen te zijn.
Is dit beginsel van geloof en gehoorzaamheid twijfelachtig? Is de uitdrukking daarvan in de schriften der Hervormers of in de belijdenissen der evangelische Kerken dubbelzinnig? Deze laatsten althans zijn eenstemmig. Het is geen toetsen van Gods Woord aan het menselijk verstand, wanneer men verklaart, dat gener mensen schriften bij de goddelijke schriftuur zijn te gelijken, omdat "alle mensen uit zichzelven leugenaars zijn en ijdeler als de ijdelheid zelve". Geen aanprijzen van losbandigheid, wanneer men verklaart, dat "ieder, wie hij ook zij, schuldig is zich de overheden te onderwerpen en hun te gehoorzamen in alle dingen, die niet strijden tegen Gods Woord". 7)
Is wellicht de leer der Hervorming, de leer uit de Bijbel ontleend, revolutionair? Ik behoef wel niet met woorden omhaal het tegendeel te betuigen. Dit slechts. Ik bedoel niet enkele plaatsen, waar men tot geloof aan Gods Woord en tot onderdanigheid aan menselijke ordening, om des Heren wil, opgewekt wordt. Ik heb de ganse inhoud van het Evangelie, de gehelen geest van bijbels onderwijs in het oog.
Een leer, die op het volslagen bederf van den mens wijst, voedt geen zelfverheffing. Een leer, die op het voorbeeld doet staren van Hem, die gekomen is om te dienen en Zijn ziel te stellen tot een rantsoen voor velen, spoort niet aan om naar onafhankelijkheid en meesterschap te dingen. Een leer, die in ootmoedige liefde het kenmerk aanprijst van christelijke wandel, predikt geen losbandigheid. Een leer, die ons burgerschap in de hemelen plaatst en ons drijft om, buiten het land der vreemdelingschap, de toekomende en blijvende stad te zoeken, zal niet met een aardsgezinde drift, welke doorgaans revolutionaire pogingen kenmerkt, doen jagen naar een volkomenheid van bezit en genot, hier beneden onbereikbaar. De leer van de Bijbel, om welke te belijden en te beleven het bloed van de martelaren der Hervorming gevloeid heeft, maakt afkerig van al wat naar ongeloof en ongehoorzaamheid gelijkt.
Nu de werking!. - Op de tijden der Hervorming past, wat de Apostel van het woord der waarheid, namelijk van het Evangelie, aan de Colossensen schrijft: "Het brengt vruchten voort, van die dag af dat gij gehoord en de genade Gods in waarheid bekend hebt".
De geschiedenis der Hervorming geeft overvloed van bewijzen aan de hand. Doch om deze bewijzen te kennen en te waarderen, wordt enige studie vereist. Indien ons in deze dagen, door den voortgang der wetenschap en het populariseren van haar uitkomsten, grote voorrechten ten deel vallen, wij hebben ook met eigenaardige gevaren uit de popularisering van een gebrekkige of valse wetenschap te strijden. Daaronder mag ik niet verzwijgen, dat de lastertaal van Rome thans, ook in Nederland, de schaamteloosheid der meest duistere tijden evenaart en wellicht overtreft. Ik vrees, dat duizendwerf herhaalde leugen vaak op welmenende Protestanten indruk te weeg brengt. Zij geloven niet alles. Er is veel, waarvan zij het ongerijmde doorzien. Maar er is een en ander, waarover men in twijfel raakt. Aan de zijde der Protestanten is, zegt men, niet alles even voortreffelijk geweest, en zonder verder in de toedracht der zaak te dringen, geeft men zich over aan een kwalijk begrepen edelmoedigheid, die de schaal doet neigen naar de zijde van de tegenstander en van het onrecht.
Ik wens onpartijdigheid, ik wens ze volkomen. De meesten van u weten, dat ik over het vergoelijken der misdaden van de Roomsen tijdens de Hervorming mij een scherp en onverdiend verwijt heb berokkend 8). Ik ben, evenzeer als iemand, voor het "hoor ook de wederpartij"; mits inderdaad de wederpartij gehoord, en na rijp beraad het vonnis worde geveld. Ook op het gebied der historie moet de rechter, (bijkans iedereen werpt zich op tot rechter), te werk gaan gelijk een kundige en billijke rechter betaamt. Ziedaar wat menigmaal geen plaats heeft. Men hoort niet, of men hoort vluchtig, zonder richtsnoer van eigen beginsels, zonder schat van eigen kennis, beurtelings door elke voorbijgaande indruk overmeesterd; als weleer achtbare leden onzer voormalige dorpsrecht, banken, bij wie, tot hun eigen verbazing, telkens de laatste spreker gelijk had. In onzen tijd, waar men vergeet, dat het brood der wetenschap in het zweet des aanschijns verdiend wordt; waarin men zo gaarne, door het niet al te diep gaan, genoeglijk studeert; als een landbouwer, die gaarne alles zou doen, behalve graven en spitten; in onzen tijd wordt de gedachte, dat er van weerszijden gedwaald en vergroot is, een reden, niet om naar volledigheid van onderzoek te streven, maar om met een horen, aan niet horen gelijk, in halve bekendheid vadsig te berusten.
Zo is het, naar ik ducht, bij de menigvuldigheid van de laster, ook met de tijden der Hervorming. Onderzoekt wat latere studie aan het licht gebracht heeft. Vergelijkt het, ik zeg niet met de aanklacht der Roomsen, maar met de meningen, welke in ons midden in zwang zijn. Gij zult erkennen, dat dikwerf de Protestanten, door onbekendheid met de feiten, de voortreffelijkheid der Hervorming, zo in het karakter der Hervormers als in de loop der gebeurtenissen, te laag hebben geschat.
In de Hervormers. - Men heeft te weinig op de gehoorzaamheid, de lijdzaamheid, de lijdelijkheid dezer christenen gelet. Men heeft van de meesten hunner indrukwekkende figuren van strijdbare helden gemaakt. Waar ze niet, gelijk een Zwingli, tot het dragen der wapenen werden geroepen, zijn zij enkel geloofshelden geweest. Zij streden, maar met het zwaard des Geestes. Zij streden ten bloede toe, maar om als martelaren hun eigen bloed te doen vergieten. Hun moed was ootmoed, hun geloofsvertrouwen met nauwgezette plichtsbetrachting vergezeld.
Zie Luther. Ik begeef mij in geen weerlegging der aantijgingen, tegen hem of tegen Calvijn opgestapeld, als behoefde men, naarmate de voortreffelijkheid groter was geweest, des te afschuwelijker laster. Doch ook zij, die hoge achting aan de Hervormers toedragen, wij zelve, wanneer wij naar protestantse reminiscentiën het beeld van een Luther ontwerpen, lopen gevaar, daarin een trek van werkzaamheid van eigen kracht, van bedrijvigheid, van doordrijven en onbesuisdheid te leggen, die er alle gelijkenis aan ontneemt. Wanneer Luther de keurvorst van Saksen, die zich onvermogend te zijner verdediging verklaart, het bericht zendt: "Ik zal niet door u, maar gij zult door mij worden beschermd"; wanneer hij aan zijn vrienden, bekommerd om het gevaar, dat hem te Worms wacht, in zijn populair naïeve stijl ten antwoord geeft: "Ik ga naar Worms, al zouden er zoveel duivels als pannen op de daken zijn", dan leent somtijds de verbeelding aan dergelijke gezegden een houding en toon, waarbij de uitdrukking van nederig geloofsvertrouwen ons ontgaat. Wij staren op de onversaagdheid van de gedaagde voor de naam van Christus, tegen al wat de wereld machtigs en schitterends heeft, en letten te weinig op de hete gemoedsstrijd, waarin hij opgebeurd en gesterkt werd door de gedachte: "Ik kan niet anders, God helpe mij". Wij bewonderen de man, die vorsten getrotseerd heeft, en bedenken niet, dat we ons zeer oneigenaardig van het woord trotseren bedienen, en dat hij steeds, waar gehoorzaamheid aan God het voorschreef of vergunde, tot onvoorwaardelijke onderwerping bereid was.
Eén trek. De keizer was gezind, de Duitse vorsten, om de belijdenis van het evangelie, te overvallen. Zij wisten het. Zij waren machtig, hem door een verdedigend verbond te stuiten. En waarom niet? Zelfbehoud is plicht; het geldt de zake Gods; hun recht schijnt naar de rijkswetten gewis; Luther, dien de keizer opeist, moet worden beschermd. Wat raadt Luther zelf? Hij aarzelt; hij vreest met de zaak des geloofs staatsbelang te mengen. De keizer is en blijft de hoogste overheid. Hij aarzelt niet meer; hij raadt, dat men de keizer, ook waar deze geweld oefent, naar goeddunken late verrichten, wat hij eenmaal voor God verantwoorden zal. Zijnentwege zij niemand bekommerd: hij zal voor de keizer verschijnen. Wie gelooft moet weten, dat hij om het geloof in lijden kan worden gebracht. Wat dunkt u? Misschien ging hij in nauwgezetheid verder dan het Duits en christelijk staatsrecht voorschreef; hij ging althans niet in een geest van weerspannigheid te werk 9). Zo gaarne zou ik u soortgelijke bijzonderheden in het geheugen herroepen. U tonen, hoe omzichtig en, wat eigen mening betrof, hoe schroomvallig hij in de gehele gang van zijn reformatorische werkzaamheid was; dat hij eerst dan met vasten tred vooruitging, wanneer Gods Woord het licht op het pad was, en dat er bij hem geen zelfvertrouwen dan geworteld in geloofsvertrouwen bestond.
Zo gaarne zou ik gewag maken van Calvijn, van Knox, wier gelaatstrekken doorgaans, ook onder protestantse karaktertekening, misvormd zijn. Maar dit eerherstel is geen werk van een ogenblik. Het moet, om volledig en duurzaam te zijn, met eigen onderzoek gepaard gaan. Leest de geschiedenis der Hervorming van mijn eerwaardige vriend Merle d'Aubigné 10), waarin het eenvoudig verhaal menig vooroordeel afsnijdt. Leest de merkwaardige schriften van Ranke, waarin uit de diepte der navorsing menige lichtstraal verrijst. Leest de biografieën van Calvijn door Henry 11), van Knox door M'crie. Leest, zo gij uit de eerste en zuivere bron wenst te scheppen, de leerrijke geschriften der Hervormers zelve. Gij zult door de deugdelijkheid uwer oordeelvelling medewerken, om de roem der Hollandse degelijkheid staande te houden of te herwinnen. De revolutionaire trek zal uit de achtbare beeltenissen uitgewist zijn met uw eigen hand.
Ik zwijg van vaderlandse staatslieden en helden, omtrent wier inborst en drijfveren even zonderling misverstand plaats heeft 12). Niet enkel het karakter van sommige mensen, het karakter der gebeurtenissen heeft men miskend. De historie verkleurt dikwerf onder den invloed der veelsoortige verkeerdheden van de bedorven menselijke aanleg. Wij zijn geneigd, de eer der mensen lief te hebben, meer dan de ere Gods. Wat groot is voor de mensen treft ons meer, dan waarin God welbehagen heeft. Deze vooringenomenheid verleidt, om in de daden een vrijheidszin, die er niet in lag, te leggen en het ootmoedig -christelijke voorbij te zien, teneinde alleen naar het schitterende de opgetogen blik gevestigd te houden.
Zo wij valse tooi en ophef terzijde gesteld hadden, de verdediging der oorlogen, die de Hervorming vergezeld hebben, zou lichter zijn gevallen. Aan wie zijn deze beroeringen te wijten? Aan de afgrijselijke dwang der Roomse Kerk, in verbond met wereldlijk geweld. Zo de Protestanten onrust en krijg hebben gesticht, hij is de twistzoeker niet, die de slag des moordenaars, door hem van zich af te stoten, ontwijkt. Hoedanig is aan de zijde der Protestanten het karakter der worsteling? Wij zagen het in ons vaderland. Elders was het insgelijks: verzoenlijkheid, vergevensgezindheid, begeerte om bij gehoorzaamheid aan God gehoorzaamheid aan de strenge landsheer te voegen.
En wanneer is de tegenstand begonnen? Gelijktijdig met onrecht en verdrukking? Zodra er gunstige kans was? Neen! In Frankrijk, zowel als in de Nederlanden, heeft de vervolging, zonder weerstand dan des gebeds en der evangelieprediking, 40 jaren gewoed. Zelfs nadat het aangroeiend getal tot openlijke tegenweer in de gelegenheid gesteld had, zou men in lijdelijkheid volhard hebben, zo niet de weerstand, in Frankrijk van de prinsen van de bloede, tijdens de minderjarigheid des konings, in Nederland van de prins van Oranje tegen Alva, een bewijs en teken opgeleverd had, dat de hand des Heren, na beproefd en getuchtigd te hebben, ter verlossing van Zijn volk uitgestrekt werd.
Ik zou niet eindigen, zo ik tonen wilde, hoe menige terechtwijzingen vroeger oordeel in later ontdekkingen ontvangt. Nog één voorbeeld, ontleend aan een gebeurtenis, welke over de dageraad der Hervorming een donker floers heeft geworpen: de ontzettende Boerenkrijg, waardoor, weinige jaren na het te voorschijn treden van Luther, een aanmerkelijk deel van Duitsland verwoest is 13). Tot dusver hebben wij verontschuldigingen bijgebracht, billijk en rechtmatig. Opstand en anarchie is met het beginsel der Reformatie in strijd, weshalve misbruik en overdrijving, als b.v. de gruwelen te Munster en elders, niet aan de natuur zelve ener goede zaak kunnen worden te laste gelegd. Bij de boerenkrijg past geen verontschuldiging, maar lofspraak. Het blijkt nu, dat de vlam geruime tijd voor de Hervorming gesmeuld had; dat geenszins de evangelie-prediking met daden, die op razernij uitliepen, in verband stond; dat, zo politische wangevoelens ook christen leraars tot het vermengen der waarheid uit God met een richting uit de boze verleid hebben, Luther, door de dolle overmoed te bestraffen, aan het evangelie getrouw en zich zelf gelijk bleef; dat de aangevangen Reformatie, wel verre van de bevolking opgeruid te hebben, niet in buitensporigheid, maar wel in billijkheid van sommige der eisen van de fel getergde landlieden zichtbaar geweest is. Nog meer. Het lopend vuur is door de Hervorming geblust. De betuiging van Luther: "Zonder ons zou men het oproer niet gedempt hebben", is geen ijdele ophef. Het éne woord, door de Hervorming weder in de harten geprent: "Alle ziel zij de Machten over haar gesteld onderworpen", vermocht meer dan de heldhaftigheid der edelen en de krijgsheiren der vorsten. Münzer en de zijnen, schrijft Ranke, hebben het sterkste en zuiverste element van weerstand in de reformatorische opvatting ontmoet 14).
Doch waartoe enkele personen en daden vermeld, alsof er angstvallig naar gronden van verdediging rondgezocht werd! Wij, aan wie het evangelische beginsel der Reformatie bekend is; wij, voor wie het licht der opgeklaarde kennis menige nevel van laster of vooroordeel of onkunde weggevaagd heeft; wij, die beter nog dan de Hervormers, in de schijnbare verwarring hunner eeuw de eenheid van Gods werk en de uitgebreidheid van Gods zegen kunnen opmerken; wij, die in de Reformatie de herleving van de christelijke waarheid erkennen, door de uitstorting van de Heiligen Geest, zoals die, in gelijke mate, sedert de tijden der Apostelen niet gezien was; wij behoeven en behoren niet langer haar in de nederige houding te plaatsen, welke de aangeklaagde, eer zijn onschuld gebleken is, betaamt. Wij mogen en moeten aanwijzen, wat zij in de wereldgeschiedenis geweest is. Het vermoeden, dat de Reformatie revolutionair was, beantwoord ik aldus:
1. De Reformatie heeft in de zestiende eeuw het revolutionair ongeloof gestuit.
2. Alleen door het verflauwen van de geest der Hervorming heeft, in de achttiende eeuw, het revolutionair ongeloof de overhand behaald.
1. Wanneer men de voorstellingen der Roomsgezinden leest, is het, alsof de Reformatie het zaad van ongeloof en opstand wierp in een akker zonder onkruid; alsof de beweging der gemoederen op een toestand van rust en orde gevolgd was 15). Het tegendeel is waar. Zo er rust was, het was de rust van het bijgeloof, een dodelijke rust. Doch ook die rust was niet ongestoord. Terwijl men van het bijgeloof gewag maakt, vergeet men dat dit, als gewoonlijk, van ongeloof vergezeld was; dat beider werking zich theoretisch en praktisch geopenbaard had, en dat de gesteldheid van Europa, ook in woelziek streven en jagen naar verandering en omkering, met het onheilspellend gelaat der l8de eeuw sprekende gelijkenis had.
De opkomst en voortgang van het ongeloof is reeds uit de natuur zelf van het bedorven pausdom bewijsbaar. Een god onterende kerkverbastering leidt naar ongodisterj. Doch wat wij reeds a priori beweren, wordt door de toestand van de zogenaamde christenheid der l5de eeuw op droevige wijze gestaafd. Bijbel en openbaring was bijna onbekend. De christelijke waarheden stonden bij geleerden en letterkundigen voor de liefelijke herinneringen uit de Griekse fabelleer achter. Ook bij een deel der geestelijkheid was het schitterend kleed der ceremoniën te doorzichtig, om twijfelarij en godverloochening te bedekken. Behoeven wij naar blijken van het ongeloof te vragen, waar een kerkvergadering het niet overtollig achtte, de plichtmatigheid te verkondigen van het geloof aan de onsterfelijkheid der ziel?
Het gevolg van zodanige toestand was in het staatsrecht openbaar.
In het staatsrecht van het kerkelijk Rome zelf. In het eigenbelang en de oppermacht van de pauselijke Stoel. U herinnert u de pauselijke verklaring van de twee zwaarden der Kerk, het geestelijke om door haar, het stoffelijke om (in de hand der vorsten en krijgslieden) onder en voor haar te worden gebruikt 16). In deze theorie blijft Rome zich gelijk; in de toepassing gaat zij naar omstandigheden te werk; gereed, de dwingelandij der vorsten te ondersteunen, of de oproergeest der volken in beweging te brengen 17). Ik zou wensen, u de ontwikkeling hiervan te tonen in een sluwe politiek. Ik zou u de te weinig bekende theorieën willen voorleggen der Jezuïeten, waardoor zij, in het rechtvaardigen en aanprijzen van de koningsmoord, ook aan de volkssoevereiniteit, behoudens oppertoezicht van de Paus, reeds in de l5de eeuw gelijk in onzen tijd de la Mennais, hulde hebben gebracht 18). Doch ik bepaal me bij de opmerking, dat dit staatsrecht de kiem van het ongeloof in zich bevatte. De soevereiniteit Gods werd verloochend voor de soevereiniteit van de Paus. De stedehouder werd rebel, de godsdienst afgoderij, en het dienstbaar maken van kerk en staat, verenigd aan overheersing en conscientiedwang, deed een afkeer van godsdienst en een verwerping van gezag ontstaan, waardoor men de vreselijkste toestanden te gemoet ging.
Het ongeloof gaf de toon. Met de erkentenis van Gods gezag, gelijk het ten rechtstitel en gedragsregel verstrekt, ging de vastheid van de troon en de waarborg der volksvrijheden te niet. Van de onzekerheid der wederzijdse rechten was, na het miskennen van de bijbelse voorschriften, het streven naar zekerheid buiten Gods Woord en het veld winnen der theorieën van republikeinse vrijheid en despotische oppermacht het gevolg.
De praktische werking van het ongeloof was aan het einde der middeneeuwen groter en algemener, dan men gemeenlijk onderstelt. In sommige rijken was een zweem van orde. Maar hoedanig? Willekeur en geweld. In Frankrijk een Lodewijk XI, overmachtig door wreedaardige sluwheid. In Engeland een Hendrik VII, die voor de willekeur zijner opvolgers de weg baant. In Spanje en in de Nederlanden een Karel V, die, om de losbandigheid tegen te gaan, zich weinig aan de vrijheden gelegen laat liggen, en de weerbarstige steden aan band legt. In Duitsland was regeringloosheid. Aan den keizer werd nauwelijks gehoorzaamheid betoond.
Leest hierover Ranke in zijn Deutsche Geschichte, een der belangrijkste zijner belangrijke werken. Gij kunt er in zien, kort voor de Hervorming, schromelijke gisting in de steden, hij de edelen, en onder het landvolk. En niet in Duitsland alleen. De ontkieming van jammer en verderf werd overal zichtbaar. Voor de machten geen eerbied, geen liefde, geen trouw. Bijkans overal ongewisheid der betrekkingen, losgelatenheid der driften, buitensporig jagen naar vrijheid en woeling, zo niet opstand. Het traditionele was voorwerp van minachting geworden, verlangen naar grote veranderingen algemeen. De instellingen schenen verouderd, afgesleten, verderfelijk; bouwvallen, op wier wegruiming men bedacht was. Voorbereidselen van een nabij zijnde ontbinding werden bespeurd.
Zodanig was de Christenheid onder pauselijke geloofs- en rechtsleer. Niet dat wij dit bij uitsluiting aan Rome verwijten; doch het had althans tegen de krankheid noch behoed-, noch geneesmiddel, en de akeligheid der uitbarstingen, waardoor sommige landen werden geteisterd, bewijst, waarheen de ontwikkeling der anarchische begrippen, zonder buitengewone omstandigheden, zou hebben geleid.
En welke zijn die omstandigheden geweest? Wij zijn gewoon ze in één woord, de Hervorming, te omvatten 19). Te midden van ongeloof en opstand heeft zij het beginsel van het geloof en gehoorzaamheid geworpen, waaruit heil en orde, door vereniging van vrijheid en onderwerping, ontspruit. Wij weten, hoe op een langdurig martelaarschap een eeuw van religiekrijg gevolgd is; hoe de geest van het kwaad, ook op Protestantse bodem, openbaar was in menige wangestalte, ongerijmd van leer en gruwelijk van bedrijf. Doch wanneer wij het geheel overzien, wat is de uitkomst? Zelfs onder de bloedige tonelen de weldadige en verzachtende werking van het evangelie, die het onmiskenbaar voortstreven naar een betere orde van zaken mogelijk maakt. En aan de eindpaal, bij de vrede van Westfalen, heeft Europa een ongekende hoogte van welvaart, orde, en beschaving bereikt. Dit is het werk en de zegen der Hervorming.
Vraagt men naar het staatsrecht, ik acht het bewijsbaar, dat een staatsregeling als die van Groot-Brittannië de vrucht is der Reformatie. Hier te lande ware het juk der aristocratie, zonder de temperende kracht der christelijke zeden èn van de patriciërs èn van de burgerij, ondragelijk geweest.
Doch ik wijs u in het algemeen op het beginsel, waarin de ganse Hervorming opgesloten ligt. Onderwerping aan God heeft het wankelend gezag der overheid geschraagd. Onderwerping aan God de vrijheden der onderdanen met het schild der heiligheid van verkregen rechten bedekt 20). Onderwerping aan God, waaruit de onschendbaarheid der van God verordineerde machten, zowel als de ware verhouding tussen Staat en Kerk en het gehele christelijk staatsrecht afgeleid werd, heeft de voortwerking van revolutionaire zuurdesem gestuit 21).
Te weinig evenwel is het gezegd, dat het kwaad gestuit is, waar zedelijke herschepping plaats had. Ik waardeer de samenwerking van gunstige omstandigheden; drukkunst, ontdekking van Amerika, herleving der letteren; een gelijktijdigheid, kort voor de Reformatie, opmerkenswaard. Doch evenmin als tijdens Caesar Augustus glans van wetenschappen en kunsten of uitbreiding van het Romeinse gebied, zonder de geboorte van het kind te Bethlehem, de voortgang der verbastering zou belet hebben, evenmin zou, vijftien eeuwen daarna, kunst, of geleerdheid, of wapenroem, of overbrenging van Europese invloed naar overzeese gewesten, zonder de herrijzing der bijkans verdwenen evangeliewaarheid, afdoende verandering ten goede hebben gebracht.
Wij moeten hoger opzien. Wanneer, in de eerste eeuwen onzer tijdrekening, uit Romeins bederf en barbaarse woestheid een andere en betere orde van zaken te voorschijn treedt, erkennen wij in dit wonder de wonderkracht van het evangelie en blijkbare zegen. "Dit is het verbond, dat Ik met hen maken zal na die dagen: Ik zal mijn wetten geven in hun harten". Evenzo aan het einde der Middeneeuwen. Toen althans was de gesteldheid van Europa geen bevestiging van de leer der perfectibiliteit (= de mensheid, allengskens ontwikkeld en beschaafd, streeft, hoewel zij somtijds omwegen maakt, naar een volkomenheid, die eenmaal, ten gevolge van haar volmaakbare aanleg, zal worden bereikt), die zo begerig de oorsprong van het licht in de zelfvolmaking der duisternis zoekt. Bijgeloof en ongeloof hadden de instellingen, door het verzaken der waarheid, ontzield. Voortwerken der krankheid zou ondergang der staten, ontbinding der maatschappijen, toenemend bederf der natiën, zegepraal der duisternis geweest zijn. De Heer sprak: Er zij licht, en er was licht! De zon der Gerechtigheid blonk en brak door de wolken. De Hervorming spreidde leven en warmte in alle delen der verstorven maatschappij. Uit de zegepraal der waarheid zag men weldra de voorrechten en zegeningen oprijzen, waardoor het nieuwer Europa, onder veel onvolkomenheid, gekenmerkt is geweest. - Tot hoe lang? Totdat de invloed der Hervorming, door het verflauwen van evangelische zin, wederom te niet ging 22).
2. Deze treurige verandering heeft voor het revolutionair ongeloof de weg gebaand.
Hoe dan? Op zeer natuurlijke wijs. Het evangelie, het zout der wereld, door de Roomsen uitgeworpen, is ook bij de Protestanten zouteloos geworden, tot algemeen bederf.
Nemen wij ten voorbeeld het Rijk, waar de Revolutie een alles overweldigend vermogen gehad heeft, Frankrijk. Ook daar heeft de Hervorming op de Roomse kerk ten goede gewerkt, door ten minste een deel der waarheid weer te voorschijn te brengen en naijver in christelijk liefde betoon te wekken. Ook in Frankrijk is de Roomse kerk enigermate door de Reformatie gereformeerd. De roemwaardige pogingen van een François de Sales mogen, evenals vroeger in Italië van kardinaal Borromeo, als gevolg der algemene schok, die de Hervorming gaf, worden gewaardeerd (beide waren leiders van hervormings- en zuiveringsbewegingen binnen de Rooms kerk in de 16e en 17e eeuw).
Het Protestantisme was een macht in wetenschap en staat. Groot en welverdiend was de naam van kennis en geleerdheid, door Hervormde academiën behaald. Het nut van dit oorlogvoeren op het veld der redenering was voor de Roomse kerk onberekenbaar. Zij werd voor dieper afval behoed, en ook waar ze haar doling niet erkende, in de aanhankelijkheid aan de overgebleven waarheid bevestigd. Het is wellicht niet vermetel te beweren, dat zonder het Protestantisme geen Bossuet en geen Fénélon (Roomse apologeten uit de tweede helft van de 17e eeuw) zou hebben bestaan 23).
Maar de tijd kwam, waarin men dragonnades hoven argumenten verkoos. De Protestanten werden over de grenzen gejaagd, of tot zwijgen gebracht. Desniettemin scheen in de Roomse kerk zelve uitzicht op redding. De Hervorming had zich in haar eigen boezem geopenbaard; de verdediging der Vrije Genade, die de wortel der Roomse wanbegrippen afsnijdt en, met eenvoudigheid aangenomen, de dwalingen van het pausdom bijkans onschadelijk maakt. Om zich tegen den heilzame invloed van het Jansenisme (Het Jansenisme, dat terugkeer wilde tot de Augustinische leer van de soevereine genade, is door de R.K. kerk met kracht onderdrukt. Een middelpunt van deze beweging was de groep van Port-Royal, waartoe o.a. Pascal behoorde) staande te houden, zou de verbasterde kerk andermaal een rampzalige zuivering ondergaan. Waar de zinspreuk is "de dienst van God is de ware vrijheid"; waar als redmiddel van den verloren zondaar de algenoegzaamheid der genade Gods erkend wordt; waar de oprechtheid van het geloof zich in de overgave van het leven vertoont, moet de vijand zich voor de waarheid buigen, of wel de Heer andermaal kruisigen in het vervolgen Zijner belijders. Men deed het laatste. Daar ziet ge de oorsprong van menig verschijnsel, dat voorbereiding was der Revolutie. Van de felle haat tegen de Jezuïeten; van het redeneren over de politiek, toen gedachtenwisseling over godsdienst niet vergund werd; van toenemend zedenbederf en afkeer tegen de geestelijkheid; van de ongelovige richting der wetenschap, toen zij niet langer in Port-Royal een evangelisch tegenwicht had. De Roomse kerk, na dezen tweede jammerlijke triomf, werd machteloos. De uitwendige vorm hield stand, uit politische berekening en met vervolgzieke dwang. Zodanige kerk kon de voortgang van het ongeloof, dat door haar veeleer gekweekt werd, niet beletten 24).
Ik behoef u niet de gesteldheid van Spanje, Italië, en het Rooms-gezinde deel van Duitsland te schetsen. Uitdrijving of verdrukking der Protestanten was de leus en het Protestantisme weinig- of niets beduidend. Minder overbodig is het, u op het Roomse element in Engeland te wijzen. De Roomsgezinde strekking, die zich heden in het Puseyisme (het puseyisme = een romaniserende beweging, op voorgang van Pusey († 1882),
binnen de Engelse staatskerk) vertoont en waartoe het veld winnen der Remonstrantse begrippen, zo het niet gestuit ware, ook de vaderlandse Hervorming zou hebben gebracht, was veel vermogend in de Anglicaanse kerk. Ik herinner u, hoe de overhelling naar Rome tegenover puriteinse eenvoudigheid en rechtzinnigheid gezien en onder de voornaamste oorzaken der onlusten tijdens Karel II geteld wordt. Hoe diezelfde toenadering, na de Restauratie, door de Rooms-gezinde Karel II begunstigd en met huichelarij, zedenbederf en onverschilligheid gepaard was. Hoe bij de Anglicaanse geestelijkheid, minder uit godsdienstige zin dan uit zucht om haar eigen gezag staande te houden, reactie ontstond. Hoe, op den aldus giftige bodem, de rampzalige oogst kwam der deïstische geschriften, die het ongeloof hebben verbreid.
Aanklacht tegen de Roomsen is geen vrijspraak der Protestanten. Aan hen waren de woorden Gods toebetrouwd. Hoe hebben zij dat kostelijk erfgoed bewaard? De opwekking is, in zuiverheid en levenwekkende kracht, kortstondig geweest. Veel verkeerdheid, veel verflauwing was er. De geschiedenis der Protestanten is, gelijk die van het oude Godsvolk, van ieder volk en van elke zondaar, verval en achteruitgang, zodra men niet door Gods Geest opgebeurd, staande gehouden, voortgeleid werd.
Reeds in het midden der l6de eeuw had de Reformatie, nauwelijks begonnen, haar toppunt bereikt. Reeds toen werd de kracht der Rooms-gezinde tegenwerking zichtbaar. Reeds toen begon die herovering, waardoor menig gewest, vroeger door de glans der Hervorming verlicht, andermaal door de duisternis van het Pausdom bedekt werd.
Maar hoe was het, waar de Hervorming het veld behield, hoe in haar eigen kring, met christelijk geloof en geloofsleven gesteld? Droevig voorzeker. Het loste zich bijkans op in polemiek. Bestrijding der dwaalbegrippen is onmisbaar, maar wee de Kerk, die haar taak met polemiseren afgedaan acht! Haar strijd ontaardt dan in spitsvondig en liefdeloos ophalen van verscheidenheden, met voorbijzage van overeenkomst. De liefde gaat verloren, en waar de liefde verloren gaat, is het geloof in levensgevaar.
Gij kent de eindeloze twisten der Protestantse wereld, van theologen en van het theologiserende volk. En schoon ik het goede en christelijke element, voorzeker hier te lande vaak onmiskenbaar, niet misken, zijn ze ook hier geenszins met die overvloeiende mate van liefde gevoerd, zonder welke zij schade brengen aan de ziel, ook van hem die overwint.
De levendigheid van het geloof hield niet gelijken tred met orthodoxe nauwgezetheid. Hoe minder levendig het geloof, des te meer gehechtheid aan uiterlijke vorm en verslaving aan letterlijke opvatting van eenmaal aangenomen belijdenisschriften. Vijand der formulieren ben ik niet; des te meer vijand der vadsigheid, die ze tot oorkussen, der bekrompenheid, die ze tot steunsel, zelfs tegen de Bijbel, misbruikt. Ik ben voorstander van formulieren. Ik erken, dat ze nodig zijn, als geloofsuitdrukking en kenmerk der Gemeente, ter handhaving van eenheid en orde. Toen sommige mijner vrienden gemeend hebben, bij het verwoesten van onze Kerk niet langer te mogen zwijgen, heb ik onder het althans niet voorbarige protest volgaarne en herhaaldelijk mijn naamtekening gevoegd 25). Des te meer ben ik gerechtigd, zonder vrees voor misverstand, overdrijving te misprijzen.
Doof voor het getier van hen, die door losbandigheid, met een ijdel beroep op Gods Woord, de christelijke gemeente onder de dienstbaarheid van elke onchristelijke dienaar der Kerk pogen te brengen, mag ik, bij het waarderen der formulieren, des te vrijmoediger tegen de verkeerde toepassing in vroeger eeuw getuigen. Dode rechtzinnigheid verscheen. Talrijk waren de formulierknechten. De waarheid werd enkel in de formulieren gezocht; Gods Woord vervangen, verdrongen, tot magazijn van bewijsplaatsen verlaagd. Het scheen, alsof de leus van de Hervormde Kerk tevens de voorwaarde van christelijke betrekking, en het formulier, tot in de kleinste bijzonderheden, het zaligmakend geloof was. Niet op de Bijbel, op het formulier werd de broederhand gereikt. De hatelijke bejegening is bekend, in Duitsland aan Spener en Franke, in Engeland aan Wesley en Whitefield, in Nederland aan meer dan één leraar der Moravische broederschap ten deel gevallen.
Geen land werd, in gelijke mate als Nederland, door de ontfermingen Gods, ten zetel van het Protestantisme uitverkoren en afgezonderd. Eilieve, zegt mij: was op deze bevoorrechte bodem geloofsijver en liefde minder spoedig dan elders verflauwd? Gij zult wel eens de boetpredikatiën ingezien hebben, wier onafgebroken reeks, van de beginne af der Hervorming, van de evangelische ernst der godsgezanten, ja, maar tevens van de geringe invloed der beloften en bedreigingen Gods getuigenis aflegt.
En daarna, in de eeuw, die aan de Revolutie onmiddellijk voorafging? U bent met de stand van kerk en godgeleerdheid en volksleven, in de aanvang der 18e eeuw, niet onbekend. Wat dunkt u? Ik zou ongaarne het goede voorbijzien of verkleinen. Ik weet, dat bij onze godgeleerden een schat van wetenschap, en dat er, vooral bij de middenstand, een verheugend overblijfsel van godsvrucht en van zedelijkheid was. Maar wanneer men vraagt naar het geloof, dat aan de alles doortrekkende zuurdesem gelijk is; wanneer men onderzoekt, of het aan een valse en verleidelijke en populair gemaakte wijsbegeerte enige degelijke weerstand heeft kunnen bieden, dan erken ik, dat het tegendeel in het oog valt. Althans, wanneer ik denk aan de uitgewerkte systemen der kerkleer, wier vorm en betoogtrant met de eis van letterkunde en beschaving weinig overeenstemt; aan de heirlegers van vertogen en preken, voor wier delen en onderdelen het alfabet van elke oude en nieuwe taal te kort schiet; aan zifterij der woorden, waaronder de kracht des Woords te niet gaat; aan kerkelijke lichtgeraaktheid, waardoor de heiligheid der Openbaring op elke tittel en jota van menselijke meningen en vooroordelen wordt overgebracht; aan dwaze opgewondenheid waarmee, van alle zijden door de schromelijkste wanbegrippen overvleugeld, men dikwijls aan punten van ondergeschikt belang de levenskrachten heeft gewijd, dan ontwaar ik, in al de orthodoxe ijver en toestel, het zwaard niet meer, dat een oordeler is der gedachten en overleggingen des harten; dan zijn dit de wapenen niet van de apostolische krijg, ook in de hand der Hervormers, krachtig door God tot nederwerping der sterkten. Dan vraag ik niet langer, waarom twijfelarij en zedenbederf hij velen de over-hand verkreeg 26); dan bevreemdt het mij niet, zo dergelijke dode rechtzinnigheid, in de engte van het kerkelijk terrein verschanst, ook aldaar in de tijden des gevaars krachteloos was.
Oorzaak der Revolutie heeft de Reformatie niet kunnen zijn, vermits zij van een tegenovergesteld beginsel uitging; van objectieve geloofseenheid, niet van de verscheidenheid der subjectieve gevoelens; van de onfeilbaarheid der Openbaring, niet van de oppermacht des verstands; van de soevereiniteit Gods, niet van de soevereiniteit van den mens. De Reformatie heeft aan de verwarring der middeneeuwen een einde gemaakt en tegen de overheersing van het ongeloof behoed. Door het verminderen en bijkans te niet gaan van haar invloed, werd Europa voor de Omwenteling rijp.
Eén middel slechts is er van leven en herleving ook voor de volken: het Woord des Levens. Laat ons in de heilvolle werking der Reformatie de vervulling der profetie erkennen: "Mijn Woord zal doen wat Mij behaagt en het zal voorspoedig zijn waartoe Ik het zende".
Door prediking van het evangelie, als hefboom, is de wereldhistorie aan Gods raadsbesluit dienstbaar. Daarin lag ook voor de Hervorming het geheim van haar kracht. Niet in de diepzinnigheid der wijsbegeerte, niet in de bespiegelingen der wetenschappelijke godgeleerdheid, niet in stelselmatig betoog en ijverige polemiek. Dit alles is nuttig, nodig, onschatbaar ter voortwandeling op den geopenden weg, maar de weg wordt gebaand door verkondiging van de liefde Gods. Het is in de verkondiging van deze liefde, dat de sleutel van het heiligdom ligt. Bekeert u en gelooft het evangelie. Gelooft in de Here Jezus Christus en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Zijn bloed reinigt van alle zonde. Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Deze taal is het, waarvan de Heer zegt: "Ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten". Daarin ligt de vreugde en de roem der gelovigen altijd.
Bij het definiëren van christelijk geloof is er menigmaal overdreven nauwgezetheid. Althans ik vermeet mij niet, de mate van kennis te bepalen, die tot zielebehoud vereist wordt. Desniettemin zijn er waarheden, wier aanneming alleen een recht inzicht van de leer der zaligheid geeft, in de geschiedenis der Kerk met onuitwisbare trekken geprent: de onfeilbaarheid der H. Schrift, de godheid van de Zaligmaker, de persoonlijkheid des H. Geestes, het gehele bederf onzer natuur, de voldoening voor onze zonden, de toerekening der gerechtigheid van Christus, de noodzakelijkheid der wedergeboorte en der heiligmaking. Waarheden, in het éne nodige: Vrede door het bloed des Kruises, samengevat; in de vereniging met Christus door het geloof, die in onze dagen bij zeer velen ongerijmd mysticisme heet, die tijdens de Hervorming onze enige troost, beide in leven en sterven, genoemd werd. Deze waarheden zijn het, wier eenzelvigheid, in de symbolische schriften der evangelische gezindten, van de enigheid des Geestes, in verscheidenheid van vorm en uitdrukking, getuigenis draagt. Deze hebben, niet door kracht of geweld, maar door de Geest des Heren, in de zestiende eeuw de wereld, die in het boze ligt en de Antichrist van Rome en de Duivel overwonnen, en bij de goederen des eeuwigen levens aan een iegelijk, die gelooft, voor de volken onberekenbare zegen van tijdelijke voorrechten gevoegd. Dat ze nooit verouderd zijn, blijkt, zo vaak het Gode behaagt de wonderen, die Zijn Geest toen gewerkt heeft, te vernieuwen. De overhand zullen zij behouden, vroeg of laat: eenmaal althans in de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de Engelen Zijner kracht.
Doch ik zwijg van de verborgenheden der toekomst, en keer tot de ervaring terug. De verloochening dezer waarheden was oorzaak en begin der Revolutie. Het ongeloof heeft het onverwinnelijk evangelie niet overwonnen. Maar toen het geloof geweken was, bleek het, dat dode vormen tegen de vurige pijlen van de Bozen een bedrieglijk schild zijn. Toen werd in het onchristelijk geworden christelijk Europa bewaarheid, wat de Heiland zegt: "Wanneer de onreine geest van de mens uitgegaan is, zo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet. Dan zegt hij: ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben, en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd. Dan gaat hij heen en neemt met zich zeven andere geesten, bozer dan hij zelf; en ingegaan zijnde wonen zij aldaar, en het laatste van die mens wordt erger dan het eerste. Alzo zal het ook met dit boos geslacht zijn!" - Inderdaad, het laatste is erger dan het eerste geweest. Door alleenheersing van het ongeloof was onvermijdelijkheid der Omwenteling daar. De revolutieleer is het ongeloof in stelselmatige vorm. Van gevolgtrekking tot gevolgtrekking werd men op de weg der rampzaligheid geleid. Voortsnellen naar de afgrond is niet te beletten, na het verbreken der betrekking, die aan de Hemel verbindt.
1) Archives, t.a.p. 106 svv.
2) Oevres complète I, p. 111. Telkens maakt hij gewag van "den nauwen samenhang tussen het Protestantisme en de nieuwe filosofie."I, 57.
3) Hist. de la Philosophie du 18e siècle. 1. 61.
4) Cours d'Histoire moderne, L. 12, p. 18 et 22. Later (1850) erkent en verklaart hij, dat de Hervorming ook nog uit een ander en hoger beginsel ontspruit: "Niet alleen maar om een teugel af te schudden, maar ook om een geloof te belijden en te beleven, is de Hervorming van de l6de eeuw uitgebroken en doorgezet. In beginse1 is deze beweging wezenlijk religieus geweest."
5) Verzamelnaam voor allen, die het absoluut gezag der openbaring ontkenden.
6) De Ja Mennais.
7) Belijdenis der Ned. Geref. Kerk, Art. 7 en 16.
8) Over deze vergoelijking der misdaden van Granvelle, van Filips II en van Alva, zie mijn Antwoord aan Mr. M. C. van Hall (1844) blz. 70 - 104 en voorts in het algemeen, over mijn verhouding tot de Rooms Katholieken, o.a Narede op vijfjarigen strijd (1855), blz. 24 -34. Zie ook hier.
9) "De kracht van zijn geest zou gebroken zijn geweest, wanneer een bedenking van niet volkomen religieuzen inhoud hem zou hebben gekluisterd." Ranke, Deutsche Geschichte, I, 478. "Het is een Lutherse stelregel, aan de overtuiging geheel uiting te geven, zonder staatkundige of pastorale voorzichtigheid". Stahl.
10) Histoire de la Réformation; populair en leerrijk in de uitvoerigheid ener door de geestverwant der Hervormers aan de bronnen ontleende beschrijving.
11) Thans vooral die van Stähelin (1863). "Als grondslag van zijn bestaan zien we bij Calvijn den logischen aanleg en het geweten, vol algehele overgave aan God en onvoorwaardelijk in dienst van Zijn wil gesteld".
12) Over Willem I zie bijv. Handboek, paragraaf 151 - 154 en Archives, tome VIII, p. XLVIII - LIV.
13) Tot de grote Boerenopstand in Duitsland (1524-1525), onder leiding van Thomas Münzer e.a., werkte, behalve sociaal-economische oorzaken, allerlei geestdrijverij mee. Luther heeft de vorsten aangespoord, hem niet het zwaard te onderdrukken.
14 Ranke, Deutsche Geschichte, II, 212.
15) "Ondanks onordelijkheden hier en daar en lichte afwijkingen was Europa op weg naar de volmaaktheid, waartoe het Christendom volken zowel als individuën oproept, toen de Reformatie plotseling zijn vooruitgang stuiten en het in een afgrond storten kwam." De la Mennais, I, 23.
16) "In de plaats van het Romeinse recht is de Roomse kerk getreden. kring van haar macht omvat niet slechts de volkeren, zij beheerst ook de levensverhoudingen en de gewetens. Zij heeft vele gedaante verwisselingen ondergaan en veranderingen beleefd, maar in haar aanspraken is zij zichzelf steeds gelijk gebleven." Luthardt, Apologetische Vorträge. 1867, 125.
17) Voorts bijv. de vergelijking door Innocentius III van paus en koning met zon en maan. "Zoals de maan, die in feite de mindere is in hoedanigheid en omvang, en evenzo in positie en uitwerking, van deze haar licht verkrijgt, zo verkrijgt de koninklijke macht de glans harer waardigheid van het pauselijk gezag."
18) Archives de la Maison d'Orange-Nassau I. (2e ed.) 116.
19) "De Hervorming was godsdienstig, niet alleen door haar leerstellig verzet tegen den godsdienst van dien tijd, maar door haar verzet tegen het ongeloof, dat met den dag trotser en stoutmoediger werd. Met het Katholicisme was het zo ver gekomen, dat heel Europa op weg was naar den afgrond van de goddeloosheid; en het Roomse priesterdom, wel verre van het tegen te houden, dreef het nog voort." Vinet.
20) "Het Protestantisme als staatskundig beginsel heeft twee grote staatskundige consequenties: het zelfstandig goddeljk recht der vorsten en de hogere, staatkundige vrijheid der volken". Stahl, t.a.p., S. 18.
21) Het droit divin der wereldlijke overheid, het bij de gratie Gods, de zelfstandigheid van den staat tegenover de kerk, ten gevolge van eigen onmiddellijke onderwerping aan God, is de christelijk-protestantse leer tegenover het ultramontanisme.
22) "De reformatie heeft den geest van ontkenning ver teruggedrongen....Meer dan driehonderd jaar had hij nodig, om opnieuw het punt te bereiken, waar hij toen gestaan had, - nu echter verrijkt met het resultaat van de ontwikkeling, die hij inmiddels doorgemaakt had." Luthardt, S. 9.
23) "Aan de Reformatie dankt de 17e eeuw Bossuet, Fénélon, Pascal evenzeer als Abbadie en Saurin". Vinet. - Albert de Broglie schrijft van de theologische strijd tegen de Calvinisten, zolang het Edict van Nantes werd gehandhaafd: "Deze harde oefening ontwikkelde bij de verdedigers van het Franse Katholicisme een morele sterkte, waarvan de veerkracht heeft doorgewerkt in de litteratuur, de kunst en heel de ontwikkeling van dit grote tijdvak". I, 205.
24) "Het is een voor altijd merkwaardig verschijnsel, welke invloed de godsdienstpolitiek van Lodewijk XIV gehad heeft op de Fransen, ja op heel de Europese geest. Hij had het uiterste geweld toegepast en goddelijke en menselijke wetten geschonden, om het Protestantisme uit te roeien, en zelfs alle afwijkende meningen binnen het Katholicisme te vernietigen. Heel zijn streven was het geweest, zijn rijk een volkomen orthodox-katho1ieke gedaante te geven.....De onderdrukte geest stortte zich in een teugelloze beweging." Ranke, Fürsten und Völker, IV, 187.
25) Het Adres aan de Synode in 1842. Protest (jaren achtereen in velerlei vormen herhaald) tegen een grenzenloos quâtenus, in het oneindige rekbaar, waarvan de eigenaardige strekking en de logische vrucht thans in een godverzaking, zelfs op kerkelijk terrein onverlet, in het oog valt. Een naar de actuele toestand gewijzigde handhaving van formulieren of belijdenis, als gemeentelijk verband tegenover een opgedrongen kerkvorm (confessioneel tegenover reglementair), ziedaar wat ik, van 1837 tot heden (1867), voorgestaan heb. Schier gelijktijdig met de uitgaaf van Ongeloof en Revolutie, schreef ik (1847) in de voorrede van Het Recht der Hervormde gezindheid: "Ik verlang eerbiediging van het geloof der kerk, niet gelijk het zich in de godgeleerdheid der vaderen met dogmatische scherpzinnigheid heeft ontwikkeld, maar gelijk het zich, ook nu, in de harten der gelovigen levendig betoont."
26) Met de Lutherse kerk in Duitsland was het als hier te lande met de Gereformeerde. "Tot een reële en zware dwaling op practisch gebied verviel zij, toen zij een tijdlang heel haar streven richtte op de rechtgelovigheid of juistheid in de leer, in plaats van op het levend geloof. Dit is de periode van de starre orthodoxie." Stahl, Die Lutherische Kirche, S. 77.