Onderstaand treft u een opstel aan over de geschiedenis
van de Christelijk-Historische partij zoals deze door mijn vader,
in een aantal afleveringen, werd gepubliceerd in 'De Jonge
Nederlander', het maandblad van de federatie van
Christelijk-Historische Jongerengroepen, gedurende de jaren 1935
en 1936. Hij was toen 26 jaar.
De onderstaande foto is in die periode gemaakt. In die tijd was
hij ook secretaris van deze federatie.
Wat de spelling betreft deze heb ik zoveel mogelijk in takt
gelaten. Wel heb ik woorden als menschen enz aangepast.
De foto's die zijn opgenomen zijn respectievelijk: Johannes
Somer, Koning Willem III,Thorbecke, Savornin Lohman en
Kuyper.
Somer
Toen in November 1813 het Nederlandse volk
na een reeks van bange jaren, doorgebracht onder het Franse juk,
weer het voorrecht genoot om Oranje als zijn soeverein te
bejubelen, leefde algemeen in de natie de gedachte 'De oude
tijden komen wederom'. Zij, die dit hebben verondersteld moesten
ervaren dat het in dat opzicht anders zou lopen.
De Franse tijd had op de staatkundige en economische positie van
de oude republiek een dusdanige invloed gehad, dat van herstel
geen sprake meer kon zijn. Ons volk bleef voort leven in de sfeer
der revolutie; de revolutie was in ons land genationaliseerd. Ons
volk was in den dut.
De omstandigheden waaronder de jonge zeer begaafde koning Willem
I het bestuur over ons land aanvaardde waren dan ook niet erg te
zijnen gunste. In de nieuwe wereld, waar Engeland zowel op
financieel - koloniaal en industrieel gebied de leiding had,
telde Nederland niet mede. De Nederlandse handel was door de vele
oorlogen gedurende den Fransen tijd totaal verlopen door de
uitvinding en toepassing van de stoommachine in de Engelse
industrie, kon de onze niet voldoende meer concurreren en had zij
vrijwel al haar afzetgebieden verloren.
Koning Willem I had echter voor deze vraagstukken van economische
aard een open oog.
Zijn langdurig verblijf in Engeland had hem in staat gesteld, om
van den vooruitgang die aldaar had plaats gevonden kennis te
nemen. Van begin af aan, heeft deze grote Koning zich tot het
uiterste ingespannen om de verloren Nederlandse welvaart te
vergroten. Twee ernstige obstakels stonden hem daarbij in den
weg. De arbeidersbevolking was door een langdurige werkloosheid
totaal gedegenereerd en bij de gegoede burgerij bestond in het
algemeen een ontstellend gebrek aan energie en ondernemingsgeest.
Nu wij thans ook leven in een ernstige crisis. Maken we eens een
vergelijking met 1817, even dus na de Franse bevrijding. Leiden,
de lakenstad, had in die tijd 14000 bedeelden op zijn inwonertal
van 28.000 en die nog werkten hadden het slechts weinig beter dan
de bedeelden. Slechte woningtoestanden, lange werktijden en lage
lonen gaven den werkenden stand totaal geen perspectief op
verbetering of verheffing.
Daarnaast was de opeenhoping van handelskapitaal eerder een rem
dan een prikkel tot vooruitgang en ontwikkeling der productieve
krachten.
Met het godsdienstig leven was het al niet beter gesteld, van een
inwendig christelijk leven was geen sprake; men verwierp het
sterk belijnde. Had een afkeer van alle dogmatiek en
geloofswaarden, en stelde in plaats daarvan de moraliteit en de
deugd op den voorgrond. Bij het onderwijs was een streven naar
neutraliteit merkbaar, de inrichting van den staat bewoog zich
naar centralisatie, met het gevolg bureaucratie en terzijde
stelling van het historisch gegroeide, en in plaats van
belangstelling in de publieke zaak slechts afkeer en
onverschilligheid.
Op deze toestanden heeft een man als Bilderdijk sterk gereageerd,
en terecht moet Bilderdijk beschouwd worden als de geestelijke
vader van het réveil. Bilderdijk moest omdat hij niet had
willen buigen voor den geest van revolutie en ongeloof, verbannen
worden uit een vaderland dat hij zoo lief had. Aan Bilderdijk
komt de eer toe, dat hij de eerste is geweest, die het heilloos
karakter der Revolutie heeft herkend. Hoewel men overtuigd was
van zijn buitengewone bekwaamheden, werd hij stelselmatig voor
elk hoog ambt gepasseerd. Gedurende de periode van 1817-1827
heeft hij te Leiden verbleven wist om zich heen een kleine kring
van studenten te verzamelen, die hij les gaf in de Nederlandse
geschiedenis.
Tot deze behoorden ook de bekende réveilmannen Da Costa en
Dr. Abraham Capadose, beide Israëlieten, die tot het
Christendom bekeerd werden; vooral de laatste heeft zich
onderscheiden in den strijd voor de Christelijke school. Het
réveil ontstond hier te lande naar aanleiding van een
gelijksoortige beweging in Frans - Zwitserland en was een zuivere
reactie op het heersende ongeloof en de dorre verstandelijkheid
van dien tijd.
Het uitte zich aanvankelijk als een groep godsdienstigen, die van
tijd tot tijd bijeenkomsten organiseerden ten huize van de
Amsterdamse of Haagse burgerij, waar naast vereniging tot
gemeenschappelijk gezang en gebed, werd voorgelezen uit het Oude
of Nieuwe Testament en het gelezene werd besproken. Het
réveil mag niet beschouwd worden als een kerkelijke
beweging, zoals de afscheiding van 1834. Het feit, dat geen
predikanten de leiding hadden, werkte hiertoe mede; het is
uitsluitend gebleven een streven voor beter en rijker
godsdienstig leven. Het grootste gedeelte van de aanhangers van
het réveil is evenals Groen van Prinsterer de Ned. Herv.
Kerk trouw gebleven. Omstreeks den dood van den réveil man
Willem de Clercq (overleed in Amsterdam op 4 februari 1844),
heeft zich vooral door den invloed van Groen van Prinsterer in de
beweging een verandering voltrokken.
Zij werd de aanvang, de bakermat voor de Christelijk -
Historische partij. Daarom blijkt het verklaarbaar dat ook heden
ten dage nog, onze partij niet beschouwd mag worden als een
kerkelijke partij, of een partij die alleen bestemd is voor
degenen die behoren tot de Nederlands Hervormde Kerk; ook voor
Luthersen en anderen is er plaats. Zij is en blijve een
Christelijke Nationale Partij. Ten onrechte is dit vooral door
anderen wel eens anders voorgesteld; zouden wij hier aan toegeven
en daarmee de partij terug trekken binnen een bepaald kerkelijk
verband, dan zou in het geheel niet gehandeld worden in de geest
van Groen van Prinsterer.
Niet alleen op politiek - staatkundig terrein is het reveil van
be1ang geweest: het bewoog zich vooral op sociaal gebied. Diverse
Christelijke sociale en filantropische verenigingen hebben aan
den invloed van het reveil hun ontstaan te danken.
De sociale actie van Ds. O.G. Heldring, heeft ook hier zijn
oorsprong. Tot de reveilmannen behoren o.a. nog de dominees -
dichters Beets en - Hasebroek en de bekende strijder voor de
Christelijke school Jhr. Mr. P.J. Elout van Soeterwoude. Hoe
echter heeft het reveil de wording en het ontstaan van de
Christelijke Historische partij heeft beïnvloed?
De vrijheidsboom gebracht in ons vaderland door Franse
revolutionairen in het jaar 1795, was zoals Groen van Prinsterer
eenmaal zo juist heeft gezegd 'een boom zonder wortels', en waar
nu een boom zonder wortels, slechts een schijnboom is, daar
spreekt het vanzelf dat de vruchten van zulk een boom ook
schijnvruchten moeten zijn. De gebeurtenissen van 1795 en de
daarop volgende hebben de waarheid van deze uitspraak dan ook
bevestigd; al spoedig bleek dat de revolutie wel had genomen,
doch niets had gegeven.
Wat ontnam de revolutie ons volk?
Het bleef niet beperkt tot de verjaging van het huis van Oranje,
nee de revolutie ontnam ons volk het geloof in de Bijbel en gaf
daarvoor niets in de plaats.
In de tweede plaats werd de scheiding tussen kerk en staat
voltrokken, een gebeurtenis welke later op het onderwijs in de
scholen zulk een nadelige invloed zou uitoefenen. Misschien weegt
het woord revolutie wel wat zwaar voor de gebeurtenissen van om
en nabij het jaar 1795, er werd toch geen bloed vergoten, zoals
elders het geval was geweest. Nee, al spoedig sloeg de revolutie
de conservatieve mantel om en waagde het zelfs om de kerken en
predikanten in haar dienst te stellen.
Voor de kerk had ze al spoedig een nadelige invloed; door het
Franse ongeloof was het Duitse protestantisme meegesleept en dit
bracht zodoende ook in ons land de z.g. 'verlichting'. Het
ongeloof was in Duitsland zo diep doorgedrongen. dat er
predikanten werden gevonden die er toe kwamen om op Kerstmis te
preken over 'stalvoedering' en op Pasen over het nut van vroeg
'opstaan'. In ons eigen vaderland is het zover gelukkig niet
gekomen, maar dat er réveil mannen en vrouwen werden
gevonden, die behoefte gevoelden om de Bijbel te bespreken en uit
te leggen op een andere manier dan de toen gangbare is geen
toevallige omstandigheid. Was het ongeloof zo de kerken binnen
gedrongen en het volk de Bijbel ontnomen, men heeft het daarbij
niet gelaten.
De opvoeding van de jeugd moest ook worden voltooid volgens de
moderne theorieën, wat tengevolge had, dat de Bijbel van de
school ging verdwijnen. Dit is bereikt door middel van de
onderwijswet van 1806, ook wel bekend als de wet van der
Palm.
Het belangrijke van deze wet was, dat het onderwijs voortaan
Staatszorg werd. De school zoals onze vaderen die gekend hadden,
was men moe.
Weliswaar had deze wet ook zijn goede zijden, werd o.a. het
schooltoezicht beter geregeld, maar al spoedig bleek, dat het
beginsel waarop deze wet berustte, zonder meer onaanvaardbaar
was.
Van christelijk onderwijs op de toekomstige scholen, de z.g.
openbare scholen, kon geen sprake meer zijn. De wet diende ter
vervanging van de voorschriften, gegeven door de Dordtsche synode
in 1618 op het onderwijs, en is zoodoende de aanleiding geworden
tot de bekende schoolstrijd.
Tijdens de periode van ongeveer 5 maanden dat Willem I
regeerde als Soeverein Vorst, is deze oude regeling vooral door
de invloed van de bekende secretaris van staat, A. R. Falck, weer
opnieuw tot wet verheven om tot 1857 van kracht te
blijven.
In het allereerste begin van de 19e eeuw heeft de
onderwijskwestie onze staatkunde niet beroerd. De eerste
daadwerkelijke kritiek is uitgeoefend door da Costa, in een van
zijn hand in 1823 verschenen werkje getiteld: 'Bezwaren tegen den
geest der eeuw.'
Da Costa werd hierbij vooral gesteund door den contra
-revolutionair Bilderdijk.
Het overgrote deel van het Nederlandse volk, heeft echter da
Costa niet kunnen en willen begrijpen, zo was de revolutionaire
idee in ons land ingeburgerd. Langzamerhand, vooral door den
invloed van het réveil en Groen van Prinsterer, is er een
verandering te bespeuren geweest. De onverschilligheid die er
algemeen in het land heerste, kenmerkte in hevige mate ook ons
staatkundig leven; wel heeft de periode van 1830-1839 en de
tiendaagse veldtocht tegen België aan de versterking van het
nationaal bewustzijn medegewerkt, het heeft toch nog geruime tijd
geduurd alvorens er weer beweging en leven kwam. Niet voor niets
is Groen van Prinsterer wel eens genoemd 'de veldheer zonder
leger'. Het was echter geen toevalligheid dat de belangstelling
voor de publieke zaak zo gering was. Slechts aan een betrekkelijk
gering aantal personen in het land was het voorrecht toebedeeld
om aan politiek te kunnen en te mogen doen. De huidige Tweede
Kamer, die thans rechtstreeks wordt verkozen door het volk, werd
voor 1848 verkozen door de provinciale staten, en deze werden op
hun beurt door 3 verschillende standen n.l. de edelen, de steden
en den landelijke stand gekozen. De leden van de Eerste Kamer
werden benoemd door den Koning; dat in dien tijd dan ook niet kon
worden gesproken van een fris opbruisend staatkundig leven, is
begrijpelijk.
De arbeidende stand en de kleine burgerij hadden geen invloed, en
deze zou ook moeilijk uit te oefenen zijn geweest.
Een georganiseerd partijwezen, zoals wij thans kennen, kende men
niet. In 1830 was de gehele Tweede Kamer vrijwel conservatief,
met uitzondering van de vooruitstrevende liberale leden, en de
afgevaardigden uit de provincie Noord-Brabant, die tot de Roomse
godsdienst behoorden. Thorbecke de latere leider van de
liberalen, had zich nog niet bij hen aangesloten en de Roomsen
hadden in die tijd nog slechts één doel: betere
bestaansvoorwaarden voor hun kerk te verkrijgen.
Voor 1848, is de Christelijk-Historische partij niet in de Tweede
Kamer vertegenwoordigd geweest.
Als Organisatie bestond zij dan ook nog niet; zij groepeerde zich
als het ware om hare voormannen heen die van tijd door middel van
woord en geschrift getuigenis van haar bestaan aflegden.
Wel was in Amsterdam in 1845 opgericht een vereniging van
Christelijke vrienden, zich ten doel stellende onderling te
beraadslagen over al wat gedaan kon worden ter bevordering van
het Koninkrijk Gods in ons vaderland. Deze vereniging heeft zich
zeer verdienstelijk gemaakt ten opzichte van het Christelijk
Onderwijs en indirect in ruime mate, tot vermeerdering van de
kracht van de Christelijk-Historische partij bijgedragen.
In 1848 wed echter Groen van Prinsterer afgevaardigd naar de
Tweede Kamer, dit was mogelijk geworden door de
Grondwetswijziging van hetzelfde jaar, welke rechtstreekse
verkiezingen voorschreef.
Het was Harderwijk waardoor Groen werd afgevaardigd. Ere dus nog
aan de stad welke het mogelijk maakte dat voor het eerst
Christelijk-Historische klanken in de Staten Generaal mochten
worden vernomen.
Het eerste optreden van Groen van Prinsterer in de Tweede
Kamer, is van zeer verstrekkende betekenis geweest voor de
verdere ontwikkeling van de Christelijk-Historische partij.
Hoewel Groen in 1848 de partij geheel alleen in de Tweede Kamer
moest vertegenwoordigen, wist hij door Zijn buitengewone gaven
als Staatsman, deze al spoedig in het midden der publieke
belangstelling te plaatsen. Het was geenszins een gemakkelijke
taak welke hem was opgelegd. De publieke opinie, vrijwel de
gehele periodieke pers, zowel de conservatieve als de liberale
hadden zich tegen hem gekant. Een zeer belangrijke gebeurtenis
uit Groen's parlementaire optreden, was wel zijn bekende
interpellatie over het al of niet bestaan van een homogeen
ministerie. 1)
Deze interpellatie, welke het toen zittend ministerie
Donker-Curtius betrof, werd een meesterstuk van welsprekendheid
en staatsmanskunst en gaf Groen tevens de gelegenheid de grote
lijnen van zijn geliefd Christelijk-historisch beginsel aan den
volke bekend te maken.
Deze interpellatie is hierom zo belangrijk geweest, omdat Groen
hier met zoveel nadruk het Christelijk-historisch standpunt
inzake de verhouding van constitutionele Koning tot parlement
heeft verdedigd.
Voor Groen lag het zwaartepunt van het constitutionele stelsel in
de homogeniteit van Oranje en het Nederlandse volk en voor
Thorbecke de leider van de liberalen lag het zwaartepunt van het
constitutionele stelsel in de homogeniteit van ministerie en
parlement, dus met een terzijde stelling van Oranje. Het laatste
nu is bezien vanuit Christelijk-historisch standpunt
onaanvaardbaar en wel hierom, omdat tot één van de
meest belangrijke historische rechten van het Nederlandse volk
gerekend moet worden, het recht om door Oranje geregeerd te
worden
. Elke poging aangewend om een verwijdering tussen het
Nederlandse volk en Oranje teweeg te brengen, is daarom voor ons
zo onaanvaardbaar, omdat op grond van de historie juist in die
tijden, toen deze verwijdering op zijn grootst was, het
staatkundig verval de grootste afmetingen aannam. De juistheid
hiervan is gemakkelijk met een beroep op de historie te staven,
bijvoorbeeld de periode welke voorafging aan de Franse
overheersing aan het einde van de 18e eeuw.
Toentertijd had men een toestand als volgt: tussen een zwak
oppergezag van Oranje en een ongeorganiseerd volk had zich de
overmachtige regentenklasse van de macht meester gemaakt, welke
ten slotte geleid heeft tot de ondergang van de oude republiek
der Verenigde Nederlanden.
Eerst de tijdelijke buiten werking stelling van deze klasse na
het beëindigen van de Franse overheersing, maakte de
erkenning van Oranje's soevereiniteit door het volk, dat wil
zeggen, de stichting van een nieuwe Nederlandse Staat
mogelijk.
Door de interpellatie van Groen van Prinsterer en andere
oorzaken, zoals gebrek aan vertrouwen vanuit de Tweede Kamer, was
het ministerie Donker-Curtius al spoedig genoodzaakt af te
treden. Thorbecke werd nu door Koning Willem III aangezocht om
een nieuw ministerie samen te stellen, waarin hij al spoedig
slaagde. Thorbecke toonde zich in dit ministerie als een
staatsman van den eersten rang, en wist de liberale
theorieën in daden om te zetten. In korten tijd bracht hij
een nieuwe kieswet tot stand, de provinciale wet en de
gemeentewet, welke beide laatste wetten, zij het dan na herhaalde
malen te zijn gewijzigd tot op heden stand hebben gehouden.
Bij zijne hervormingen werd Thorbecke behalve door de liberalen
ook gesteund door de Rooms Katholieken, terwijl de conservatieven
en in sommige gevallen ook de Christelijk Historischen onder
leiding van Groen van Prinsterer zijn tegenstanders waren.
De Rooms Katholieken steunden Thorbecke vooral hierom, omdat ze
van hem vrijheid voor de ontwikkeling van hun kerk verwachtten en
dit werd nu juist ook de oorzaak van zijn aftreden.
De Grondwet van 1848 waarborgde aan de Kerkgenootschappen het
recht van vrije organisatie en nu wensten de Rooms Katholieken
hun kerk beter te regelen. Naar aanleiding hiervan bepaalde Paus
Pius IX in 1853, dat in Utrecht een aartsbisdom, in Haarlem,
's-Hertogenbosch, Breda en Roermond bisdommen gevestigd zouden
worden. Dit gaf het sein tot een felle Protestantse actie welke
de conservatieven handig gebruikten om hun politieke tegenstander
Thorbecke ten val te brengen. In alle delen van het land werd een
adresbeweging tegen deze nieuwe bisschoppelijke hiërarchie
op touw gezet en in April 1853 bood een deputatie de Koning te
Amsterdam een verzoekschrift aan, waarbij de predikant Ter Haar
een anti Roomse toespraak hield, welke koning Willem III zeer
welwillend beantwoordde. Thorbecke die juist in de Kamer betoogd
had, dat de Rooms Katholieken volgens de Grondwet het recht
hadden hun kerkelijke zaken naar eigen inzicht te regelen en
daarbij de steun van een sterke meerderheid ondervonden had,
moest nu wel het ontslag van het ministerie indienen, dat de
Koning onmiddellijk aannam. Er trad nu een gematigd conservatief
ministerie van Hall op, wat tot grote teleurstelling der
petionarissen, van de Paus geen enkele wijziging van de
kerkelijke regeling kon verkrijgen, zodat de z.g. April beweging
geen succes voor de Protestanten, maar wel voor de conservatieven
is geworden.
De plaats welke door den val van het eerste ministerie
Thorbecke was leeg gekomen, werd nu bezet door het meer
conservatief georiënteerde ministerie Hall-Donker-Curtius.
De Tweede Kamer werd ontbonden en de gehouden verkiezingen
leverden tot resultaat op dat een aantal volgelingen van
Thorbecke door conservatieven werden vervangen en het aantal
volgelingen van Groen steeg van één tot zeven. 2)
De Christelijk-Historische partij dankte deze vrij gunstige
verkiezingsuitslag aan de omstandigheid, dat men in Groen van
Prinsterer de persoon zag, die de toegenomen invloed van de
Roomse partij moest keren.
De eigenlijke aanhangers van de partij de kleine luiden waren
door het hoge census kiesrecht van invloed verstoken, zodat reeds
bij de volgende periodieke Kamerverkiezingen, het aantal
afgevaardigden terugliep. Onder de gekozenen voor de Christelijk
-Historische partij bevond zich ook mr. van der Brugghen, een man
die Groen en zijn aanhangers, door de tot standkoming van zijn
Schoolwet van 1857 zulk een enorme teleurstelling zou
bezorgen.
Het ministerie handhaafde het besluit betreffende de bisdommen en
diende een wet in 'tot regeling van het toezicht op de
kerkgenootschappen', welke in gewijzigde vorm werd
aangenomen.
Daarmee was de Aprilbeweging bezworen, maar er wachtte het
ministerie nog een andere taak; er moest n.l. gezorgd worden voor
een nieuwe schoolwet. De schoolwet welke ons land toentertijd nog
bezat dateerde van 1806. Onder deze schoolwet was het gebruik van
de Bijbel op de openbare school aanvankelijk niet verboden
geweest en zo werden in zeer vele plaatsen van ons land op de
scholen de lessen met gebed en psalmgezang geopend en gesloten.
Het bemoeilijken van het gebruik van de Bijbel op de openbare
school dagtekent dan ook pas van na 1830. De scheiding van
België had toen op onderscheidene plaatsen tengevolge, dat
men de Roomsen geen aanstoot wilde geven door schriftlezing op de
school. De neutraliteit in haar bedenkelijk karakter, kwam op de
voor grond, het Christelijk karakter dat ons onderwijs kenmerkte
vanaf het begin van de oude republiek ging verdwijnen.
In de kringen van het réveil had men een open oog voor de
gevolgen en al spoedig ontbrandde de strijd tegen de gemengde
school. Men wendde nu vanuit die kringen pogingen aan om te komen
tot het oprichten van Christelijke scholen. Dit ging echter met
de grootste moeilijkheden gepaard.
Om een christelijke school op te richten en te openen, had men
autorisatie, d.w.z. verlof nodig van de plaatselijke
autoriteiten.
Dat verlof werd nu lang niet altijd even gemakkelijk verkregen,
doch slechts na een lange en vermoeiende weg van
formaliteiten.
Bij de totstandkoming van de grondwetsherziening in 1848, was men
in zo verre vooruitgegaan, dat men verkreeg, 'vrijheid van
onderwijs'; wel te verstaan vrijheid om geheel uit eigen middelen
scholen te bouwen.
En zelfs deze vrijheid bleef door gemeentelijke willekeur nog
negen jaar, n.l. tot 1857 toen de onderwijswet van Brugghen tot
stand kwam, fictief.
De totstandkoming van deze wet en wat daaraan is voorafgegaan is
nu niet bepaald één van de schoonste bladzijden uit
de geschiedenis van de Christelijk-Historische partij te noemen.
Groen van Prinsterer was zelfs zo teleurgesteld, dat hij zijn
ontslag als lid van de Tweede Kamer indiende.
Aan de wet van Brugghen zijn echter nog een tweetal wetsontwerpen
van minister van Reenen voorafgegaan. Het eerste ontwerp werd
ingediend in september 1854.
Voorgesteld werd: gemengde school regel; gezindheidscholen
slechts geoorloofd waar plaatselijke omstandigheden het toelaten;
erkenning der vrijheid van bijzonder onderwijs. Het
voorlopig verslag van de Tweede Kamer over het ontwerp van wet
luidde zo ongunstig, dat het ontwerp werd ingetrokken.
Groen ageerde er fel tegen; niet meer in de Kamer, want bij de
verkiezingen in Juni 1854, was hij in Zwolle niet herkozen, maar
buiten de Kamer gebruikte hij zijn pen, om zijn getrouwen op te
roepen. Het tweede ontwerp van Reenen werd in December 1855
ingediend. Groen was nu weer in de Tweede Kamer verkozen bij een
tussentijdse verkiezing te 's Gravenhage. Aanstonds begreep hij
dat dit tweede ontwerp even verderfelijk was als het eerste, maar
ook, dat de kans op aanneming groter was. In 'De Nederlander' had
hij reeds zijne eisen bekend gemaakt.
Deze kwamen hierop neer:
1. Vrijheid van bijzonder onderwijs, volgens de
Grondwet;
2. Een wèl ingerichte openbare school, in de regel tegen
de concurrentie der bijzondere scholen bestand;
3. Waar het mogelijk is, afzonderlijke scholen van staatswege
voor Protestanten en Rooms- Katholieken;
4. Geen godsdienstloze school, welke aan de overmacht van Rome,
door terzijde stelling van Bijbel en volkshistorie de weg
baant.
Ook buiten de Kamer ontstond een ernstige tegenstand, welke geuit
werd in een adres van 8 Nederlands Hervormde predikanten; dit
adres werd door een stroom van adressen van adhesie
gesteund.
De Tweede Kamer stoorde zich niet in het minst aan die
adresbeweging, maar toch heeft zij doel getroffen. De Koning
wenste dat 'evenmin als de Aprilbeweging deze beweging over het
hoofd gezien zou worden, dat men een verzoenende houding
tegenover de bezwaarden moest aannemen en hen zooveel mogelijk
tegemoet zou komen, en alles in het werk zou stellen, om, zo het
kon, reeds toen de schoolstrijd te doen beëindigen.' Het was
deze begeerte, die Koning Willem III er toe dreef omtrent de
regeling van het onderwijs Groen's advies te vragen.
Natuurlijk luidde dit advies niet gunstig voor het ontwerp.
Minister van Hall die wist, dat Groen's oordeel gevraagd was, en
wel begreep hoe dat luiden zou, zag in dat voor het ministerie de
tijd van heengaan naderde. Het bleef echter nog zitten tot na de
verkiezingen in 1856, van Hall en zijn ministers vroegen toen aan
den Koning ontslag.
Duidelijk zien wij uit deze gang van zaken, de invloed van de
Christelijk-Historische partij, in die dagen. Zij toch was de
ziel geweest èn van de Aprilbeweging~ die het eerste
ministerie van Thorbecke, èn van het petitionnement inzake
de onderwijswet, dat het ministerie van Hall-Donker-Curtius ten
val bracht.
Na
het aftreden van het ministerie van Hall, droeg Koning Willem III
de vorming van een nieuw ninisterie op aan Mr. J. J. L. van der
Brugghen. Duidelijk bleek hieruit, dat de Koning tegemoet wilde
komen aan de bezwaren van de Protestanten inzake 't
onderwijsvraagstuk.
Immers de formateur was voor Groen van Prinsterer en zijn
vrienden geen onbekende, van der Brugghen genoot hij de
voormannen uit de kringen van het réveil een goede
reputatie en voor het Christelijk onderwijs had hij zich in
velerlei opzichten verdienstelijk gemaakt.
Zo was te Nijmegen, alwaar hij rechter van instructie was, door
zijn toedoen de Christelijke school op den Klokkenberg verrezen,
één van de eerste Christelijke scholen in ons land,
en van 1844-1852 redigeerde hij het t Nijmeegse schoolblad, een
periodiek, welke in het bijzonder aan de belangen van het
Christelijk onderwijs was gewijd.
Gedurende de periode 1853-1856 had hij zitting in de Tweede Kamer
voor het district Zutphen, alwaar hij behoorde tot de volgelingen
van Groen.
De verwachtingen waren dan ook hoog gespannen en men hoopte op
een oplossing van het onderwijsvraagstuk in bevredigende zin. Met
het meeste vertrouwen gingen Groen en de zijnen dan ook de
toekomst tegemoet.
Helaas, meer dan een illusie is het niet geweest. dat zou al te
spoedig blijken.
Op 5 Juli 1856. het nieuwe ministerie was toen nog slechts 5
dagen oud, had de gebruikelijke sluiting van de zitting der
Kamers plaats. In de sluitingsrede, welke door de minister van
Binnenlandse Zaken werd gehouden verklaarde deze, dat het
ministerie zich ten doel stelde te zoeken naar een middel ter
bevrediging der petitionnarissen, zonder af te wijken van
'het beginsel der gemengde school, waaraan sedert 1806 de
natie gehecht is'.
Groot was de teleurstelling voor Groen, immers juist zijn
hoofdbezwaar lag in het gemengde karakter der openbare school,
welke de aanleiding was geweest van de petitionnementbeweging
tegen het ontwerp van Reenen, waarin de gemengde school was
voorgesteld.
Zodra Groen deze woorden vernam, begreep hij dat de zaak verloren
was.
'De nederlaag was voltooid, eer de strijd begon'. Op 23 februari
1857 werd het ontwerp onderwijswet ingediend. waarvan de inhoud
grotendeels gelijk was aan het door Groen voor onaannemelijk
verklaarde tweede ontwerp van Reenen. Bij de behandeling in de
Tweede Kamer, van het ontwerp liep de grote strijd in hoofdzaak
over de vraag: gemengde school of gezindheidscholen,
waarbij zoals van zelf spreekt, Groen van Prinsterer zich voor de
laatste verklaarde. Door de aanneming van deze wet is Groen's
ideaal van gezindheidsscholen niet bereikt en heeft toen de
schoolstrijd zich in zoverre in een andere richting begeven dat
men is gaan strijden voor 'de vrije school', welke ten
slotte in de lageronderwijswet de Visser van 1920 is bestendigd.
Er is echter nog een andere oorzaak waarom Groen deze wet fel
heeft bestreden.
De regering had namelijk voorgesteld dat het onderwijs, naast het
aanleren van gepaste en nuttige kundigheden en ontwikkeling van
de verstandelijke vermogens der kinderen, ook zou worden
dienstbaar gemaakt aan de opleiding tot alle christelijke en
maatschappelijke deugden, maar liet daar onmiddellijk op
volgen, dat de onderwijzer bij de volbrenging van deze taak,
alles moest vermijden wat strijdig zou zijn met de eerbied
verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van anders
denkenden.
Het praktische resultaat hiervan was, dat op een openbare school,
een zogenaamde gemengde school dus, welke toegankelijk was voor
kinderen van Protestantse, Roomse en Joodse ouders, de
onderwijzer, indien deze niet in botsing met de wet wilde komen,
weinig van dat z.g. regeringsideaal zou kunnen terecht brengen.
3)
In een tweetal schitterende redevoeringen heeft Groen het
regeringsstandpunt bestreden, in welke redevoeringen hij tevens
zijn voormalige vriend van der Brugghen aan een scherpe kritiek
bloot stelde.
'Groen streed als een gewonde leeuw om ons land voor een zo
heilloze regeling te bewaren'.
Droeviger, dramatischer moment kent onze parlementaire historie
niet, dan de strijd van Groen tegen van der Brugghen, die met
zekere luchthartigheid, zijn vroeger verleden verloochende en als
'afvallige der christelijke partij in de armen van Thorbecke de
leider der liberalen' een wet hielp doorvoeren waaronder ons volk
tientallen jaren heeft gezucht.
Doch de worsteling van Groen en zijn vrienden baatte niet. De wet
werd aangenomen met 47 tegen 13 stemmen, waaronder 6 Roomse
leden. Voor stemden de conservatieven, de liberalen en 6 Roomsen.
Dadelijk na den afloop van de stemming in de Tweede Kamer verliet
Groen de zaal; vooraf had hij echter een brief op de
ministerstafel gedeponeerd, waarin hij zei 'uit persoonlijk
plichtsbesef en na rijp beraad' ontslag te nemen als lid van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Gebukt onder de teleurstelling van de aanneming der schoolwet van
der Brugghen, het bedanken van Groen van Prinsterer als lid der
Tweede Kamer en het verlies van vele harer vroegere aanhangers,
scheen het alsof de Antirevolutionaire partij 4) haar ondergang
nabij was. In 1860 leed zij opnieuw een smartelijk verlies door
den dood van da Costa en kan men begrijpen, door welk een dal der
schaduwen haar weg destijds voerde.
Maar, er waren tekenen, die deden vermoeden dat de weg weder
langzaam uit de diepten opklom naar de hoogten, die we later
hebben mogen aanschouwen.
Reeds omstreeks dien tijd kon er op gewezen worden hoe de
antirevolutionaire partij zich mocht verheugen in het voortdurend
krachtiger opbloeien van het bijzonder Christelijk onderwijs, dat
hare grootste liefde had, en de rijkst vloeiende bron harer
wassende kracht zou worden.
Zoo was daarom de oprichting van de vereniging voor Christelijk
Nationaal schoolonderwijs -30 Oktober 1860- 5) als een zeer
verheugende gebeurtenis te beschouwen.
De geestelijke vader van deze vereniging was N. M. Feringa het
hoofd der havenlozen school te Amsterdam, een man uit het volk,
degelijk Christen en van erkende bekwaamheid.
Groen van Prinsterer heeft de wording dezer vereniging met
belangstelling gadegeslagen, en meester Feringa verzuimde niet,
om bij de totstandkoming Groen's gewaardeerde adviezen te vragen.
Het heeft echter nog heel wat voeten in de aarde gehad, eer Groen
geheel voor het denkbeeld van Feringa was gewonnen.
Feringa wilde n.l., nu de wet van 1857 vrijheid liet om uit eigen
middelen scholen met de Bijbel te bouwen, deze vrijheid ook zo
veel mogelijk benutten.
Dit was aanvankelijk niet het standpunt van Groen. Deze heeft nog
lange tijd de stille hoop gekoesterd, dat de toestand, zoals die
in de 17e eeuw was geweest, toen er verband was tussen Staat,
kerk en school, zou worden hersteld. Doch hij zag allengs in, dat
dit niet meer mogelijk was.
De staat had aan ons Christenvolk de school met de Bijbel
ontnomen en slechts door het particulier initiatief kon, onder
Gods zegen, het verlorene worden herwonnen.
Toen Groen hiervan dan ook overtuigd was geworden, werd hij de
bondgenoot van Feringa en zorgde voor de grondslag der
vereniging. Groen aanvaardde het ere voorzitterschap, hetwelk
door hem tot 1867 is bekleed. Veel heeft deze vereniging voor de
opbloei van het Christelijk onderwijs gedaan. Duizenden
guldens aan subsidies en bijdragen werden door haar
beschikbaar gesteld voor het bouwen en in stand houden van
Christelijke scholen.
Eenmaal nog heeft Groen van Prinsterer, na het bedanken in 1857
als lid der Tweede Kamer weer zitting genomen. Het was in 1862
tijdens het optreden van het tweede ministerie Thorbecke; in 1865
nam hij ontslag, deels om gezondheidsredenen, maar vooral ook
omdat de strijd in de Kamer hem destijds een ploegen op rotsen
scheen.
In 1866 heeft Groen van Prinsterer, zich nog één
keer weer verkiesbaar gesteld voor Leiden, alwaar hij ook werd
verkozen, maar heeft er geen zitting voor genomen.
De redenen, welke Groen toen bewogen hebben zich opnieuw
beschikbaar te stellen, vonden hun oorzaak in het optreden van
het ministerie Heemskerk-van Zuylen.
Het scheen toen alsof de antirevolutionaire partij bij de
schoolstrijd hulp van de conservatieven zou verkrijgen. Er was
nl. een groot aantal conservatieven, die tot inzicht waren
gekomen, dat de schoolwet van 1857 inderdaad teleurstellend had
gewerkt. Bovendien bloeide in dien tijd, de moderne richting in
de Nederlandse Hervormde Kerk krachtig op, welke vooral onder
vele onderwijzers haar vurigste aanhangers telde, dit deed de
conservatieven vreezen, dat de openbare school zou worden. zoals
Groen haar noemde: 'de moderne sekte school'.
Ook de omstandigheid, dat het ministerie van Zuylen tot haar
leden telde, werd als een hoopvol teken beschouwd, omdat deze
gedurende de laatste jaren als woordvoerder der
antirevolutionaire partij in de Tweede Kamer had gegolden.
Niettegenstaande deze gunstige voortekenen werd ook het optreden
van dit ministerie een enorme teleurstelling voor Groen.
Bij de eerste ontmoeting met de Eerste Kamer verklaarde van
Zuylen, dat men hem ten onrechte antirevolutionair noemde.
Uit het antwoord van de regering op de interpellatie, gehouden
door het nieuw gekozen lid voor de A. R. partij Mr. L. C. W.
Keuchenius, bleek, dat van dit ministerie geen wijziging der
onderwijswet was te verwachten. Groen, die alléén
dan nogmaals in de Kamer zitting wilde nemen indien er een
gunstige verandering in de onderwijswet was te verkrijgen,
besloot, toen daarvan geen sprake zou zijn, het pas ontvangen
mandaat weer neer te leggen. Daarmee eindigde tevens de strijd
van Groen, althans in de Staten Generaal, tegen de gemengde
school.
Zijn gevorderde leeftijd en slechte gezondheidstoestand noopten
hem er toe, zich allengs uit het openbare leven terug te trekken.
Toch neemt in velerlei opzichten het ministerie Heemskerk-van
Zuylen een belangrijke plaats in de parlementaire geschiedenis
van ons vaderland. Het was onder dit ministerie, dat het
parlementaire stelsel, na een tweetal conflicten tussen regering
en Tweede Kamer zegevierde.
Wanneer
we aannemen, dat voor een juist kennen van de geschiedenis van de
Christelijk-Historische partij, het nodig is, de belangrijkste
staatkundige gebeurtenissen in Nederland, die aan hare oprichting
vooraf gingen, te verstaan, dan behoort naast de totstandkoming
van de lager onderwijswet 1857, daartoe ook gerekend te worden de
overwinning van 'het parlementaire stelsel'.
De vraag, wat nu eigenlijk precies onder 'het parlementaire
stelsel' dient te worden verstaan, geeft nog wel eens aanleiding
tot misverstanden. Zo kon men meerdere malen in
Nationaal-socialistische organen artikelen aantreffen, waarin men
'het parlementaire stelsel', dat na een aantal conflicten tussen
Kroon en Staten-Generaal gedurende de periode 1866-1868 tot stand
is gekomen, gaat vereenzelvigen met het bezit van organen als
onze Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal.
De uitdrukking 'parlementair stelsel' heeft hiermee echter niets
te maken, doch slaat uitsluitend op de verhouding tussen Regering
en Parlement.
Om deze verhouding te leren kennen, dient men kennis te nemen van
de toestand zoals die was voor 1848, voor de belangrijke
herziening van de grondwet en van die van 1848.
Voor 1848 kende men uitsluitend koninklijke ministeries en waren
de ministers niet verantwoordelijk tegenover de Staten-Generaal.
In 1848 werd de onschendbaarheid van de Koning in de grondwet
opgenomen en de volledige ministeriële verantwoordelijkheid
ingevoerd.
Naast het vertrouwen van den Koning, hadden dus de ministers ook
het vertrouwen nodig van de Staten-Generaal aan wie zij
verantwoording schuldig waren. Daar de toenmalige Koning Willem
III zich hierbij niet direct kon neerleggen, temeer niet, omdat
gehandhaafd bleef het recht van de Koning om zijn ministers te
benoemen en te ontslaan ontstond een conflict met de Tweede
Kamer. De aanleiding was de motie van afkeuring door Keuchenius
in 1866 ingediend en door de Tweede Kamer aangenomen waarin
kritiek werd uitgeoefend op het plotseling verdwijnen uit het
juist opgetreden ministerie van een der meest op de voorgrond
tredende minister van koloniën mr. Mijer, die tot
Gouverneur-generaal werd benoemd.
De Regering beschouwde de aanneming dezer motie een inbreuk op
het recht van de Kroon om een minister naar welgevallen te
benoemen en te ontslaan. Kamerontbinding volgde, doch in de
nieuwe Kamer werd aan de regering een nieuwe nederlaag
toegebracht.
Thans was de aanleiding de z.g. Luxemburgse kwestie. Zoals we
weten was Koning Willem III Groot Hertog van Luxemburg.
In 1867 had Nederland met de grote mogendheden de neutraliteit
van Luxemburg gewaarborgd.
De Kamer was hier niet over gehoord en stemde nu, om de minister
van buitenlandse zaken ten val te brengen zijn begroting
af.
De Koning echter handhaafde zijn ministers en ontbond ten tweede
male de Tweede Kamer.
Hoewel ook ditmaal de verkiezingen voor het ministerie ongunstig
uitvielen, bleven de ministers aan, ook, nadat zij nog een motie
van afkeuring hadden moeten aanhoren. Toen echter weer dezelfde
begroting viel, begreep de Kroon dat zij moest wijken.
Door deze gebeurtenis was het duidelijk gebleken dat ook, al is
de Koning vrij in het kiezen zijner ministers, deze toch niet
kunnen regeren, zonder het vertrouwen van de meerderheid der
Kamers te hebben. De hoofdgedachte waarop het parlementaire
stelsel berust is deze: de ministers de leden van de
regering, behoren het vertrouwen te hebben van een meerderheid in
de volksvertegenwoordiging en te regeren in overeenstemming met
de voornaamste beginselen van die meerderheid ten aanzien van
bestuur en wetgeving. Een grondwettelijke basis is er niet
voor aanwezig, het is een regel, een gewoonte, welke door de
parlementaire praktijk is ontstaan.
In 1878 dreigde er voor de christelijke school een
ernstîg gevaar, nl, de schoolwet, ingediend door de
toenmalige minister van binnenlandsche zaken mr. J. Kappeijne
v.d. Coppello.
Na 1857 was het aantal christelijke scholen enorm toegenomen en
begrepen de voorstanders der openbare school, dat deze, indien
zij zich zou kunnen handhaven, beschermd diende te worden t.o.
van de bijzondere. Erkend diende te worden dat het volksonderwijs
door de nieuwe wet enorm werd verbeterd, maar met deze gevolgen
dat ook de kosten van het onderwijs er in evenredigheid mede
stegen.
Voor het openbaar onderwijs, hetwelk geheel uit de openbare
kassen betaald werd, betekende dit een enorme vooruitgang. Maar
voor het christelijk onderwijs, hetwelk geheel door de ouders
bekostigd moest worden, betekende dit het ontstaan van enorme
moeilijkheden. Ook werd door de nieuwe wet het oprichten van
nieuwe bijzondere scholen steeds moeilijker. In geen enkel
opzicht werd rekening gehouden met de bestaande grieven tegen de
wet van 1857. Reeds bij het onderzoek in de Tweede Kamer hadden
de antirevolutionaire kamerleden gezamenlijk een nota ingediend,
waarin zij, optredend tot handhaving van het recht der natie op
waarachtige vrijheid van onderwijs, tegen dit wetsontwerp op
hoogst ernstigen toon protest aantekenden. Maar wat baatte dat
protest! Wat baatte het of bij de openbare beraadslaging de
partijen der minderheid zich eenparig en met hand en tand
verzetten! Welke eerbied voor gemoedsbezwaren mocht men
verwachten van de man, die had durven zeggen: 'Verknoei met
uw Bijbelteksten de beproefde gronden van ons Staatsrecht
niet!'
Welk gevoel voor recht en billijkheid mocht men zoeken bij de man
die in onbeschaamden overmoed had durven uitroepen dat 'de
minderheden maar onderdrukt moesten worden!
En heel de oppermachtige liberale partij handelde trouw naar die
raad. De wet werd met 52 tegen 30 stemmen aangenomen.
Reeds voor de behandeling van de wet in de Tweede Kamer werd door
de heren Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman, Dr. A. Kuyper en Mr.
B. J. L. Baron de Geer v. Jutphaas, voorgesteld in de vergadering
van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs een
commissie te benoemen, welke zich zou belasten met opzet en
leiding van een reusachtige volksbeweging, als protest tegen
Kappeijnes schoolwet. Mocht de wet door de Kamer worden
aangenomen (hetgeen geschied is) dan zou aan de Koning een adres
worden gericht, waarin men Zijne Majesteit eerbiedig zou
verzoeken zijne goedkeuring niet aan de wet te hechten.
Het adres werd door niet minder dan 305869 personen ondertekend.
Tegelijkertijd verscheen ook van Rooms Katholieke zijde een tegen
de schoolwet gericht adres hetwelk door 164000 hoofden van
gezinnen werd getekend.
De 3en Augustus 1878 werd het door een deputatie de Koning op
zijn paleis te Apeldoorn aangeboden.
De Koning kon niet onmiddellijk beslissen en vroeg inzake het
verzoekschrift advies aan Kappeijne. Kappeijne voldeed aan deze
opdracht, hetgeen er toe leidde, dat de Koning op den 17 Augustus
1878 de wet tekende.
De overwinning welke de liberale partij in 1878 had behaald
met de aanneming van de schoolwet Kappeijne, kwam deze partij
duur te staan, zo duur zelfs, dat haar meerderheid in de Tweede
Kamer ging veranderen in een minderheid.
Het jaar 1878 is de aanvang van de kentering van het staatkundig
leven in Nederland.
Van toen af aan zien we de antirevolutionaire partij aan invloed
winnen en de liberale partij aan invloed verliezen. Het aantal
vertegenwoordigers in de Tweede Kamer ging flink vooruit, dit
steeg van 6 in 1871 tot 27 in 1888. Deze sterke groei heeft
verschillende oorzaken, in de eerste plaats het voorgoed
verdwijnen van de conservatieve partij uit de Tweede Kamer in
1886.
Ten tweede de invloed van het steeds meer uitbreidend Christelijk
onderwijs en ten derde de duidelijke en scherpe formulering van
de beginselen zoals die in het program van 1878 hadden plaats
gevonden, iets wat tot dusver alle andere staatkundige partijen
in Nederland had ontbroken en tenslotte de werking eener
uitnemende organisatie en de meesterlijke leiding.
Wat dat laatste betreft in 1876 was de leiding van de partij door
de dood van Groen van Prinsterer in handen van Dr. A. Kuyper
gekomen.
Tot in 1881 is dat juist, want vanaf dat jaar stonden twee mannen
aan het roer.
In het jaar 1881 werd door het kiesdistrict Goes naar de Tweede
Kamer afgevaardigd Jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman van wie
reeds door 'de Standaard' bij zijn kandidaatstelling werd gezegd,
dat hij 'het filosofisch' hoofd der Antirevolutionaire partij
was.
Er is van verschillende zijden beweerd, dat Dr. A. Kuyper de
opvolger van Groen van Prinsterer is geweest; in zoverre is dat
juist, dat tot 1881 Dr. Kuyper alleen Groen verving als leider,
maar na 1881 berustte de leiding niet meer bij hem alleen.
Gezamenlijk hadden de beide mannen de leiding in handen. Daarbij
was de verdeling van de arbeid niet moeilijk.
Elk der beiden bezat eigenschappen waardoor als van zelf was
aangewezen welk gedeelte van de taak voor hun rekening
kwam.
Dr. A. Kuyper, vurig volksredenaar, organisator bij
uitnemendheid, moest wel worden de leider der partij buiten de
Kamer. Lohman, de diepe denker, de geboren staatsman was de
aangewezen leider der partij in de Kamer. Men kan dan ook veilig
aannemen, dat de Savornin Lohman wat persoonlijke hoedanigheden
betrof, veel meer de opvolger van Groen van Prinsterer was dan
Dr. Kuyper.
Want ook Groen was steeds méér een staatsman dan
een volksleider geweest. Als organisator bezat Kuyper
hoedanigheden die Groen en Lohman misten. Zo vulden de beide
mannen elkander aan en gaven zij aan de antirevolutionaire partij
een leiding, als geen der andere partijen ten deel viel.
Bij de verkiezingen in 1888, de Tweede Kamer telde toen voor de
eerste keer 100 leden, was er een anti-liberale meerderheid, dit
kwam mede door de omstandigheid dat de Roomsen zich los hadden
gemaakt van de liberalen en ten opzichte van het
onderwijsvraagstuk samenwerking zochten met de
antirevolutionairen. In dezen tijd trad op de voorgrond Dr. H. J.
M. Schaepman die weldra bleek een der meest eminente figuren uit
de Roomse partij te zijn, deze zou ongetwijfeld in den volsten
zin des woords haar leider zijn geweest, indien niet zijn
denkbeelden op verschillende punten waren afgeweken van die der
overgrote meerderheid zijner partijgenoten. Als tegenstander van
protectie (bescherming) voorstander van persoonlijke
dienstplicht, uitbreiding van kiesrecht en sociale hervormingen,
moest hij meermalen alléén komen te staan tegenover
de Roomse partij in de Kamer.
Daar buiten vond hij onder zijn geloofsgenoten steeds een groep
die hem bijviel. Schaepman was ook de ontwerper van het program
der Roomse partij.
De weg was dus voor de rechterzijde gebaand en op de 23en April
1888 treedt het ministerie Mackay op, welks eerste werk was om
het geleden onrecht van 1878 te herstellen. In tien jaren tijd
was er inderdaad veel veranderd in Nederland.
Op de 23 April 1888 trad het eerste ministerie van de
rechterzijde op, bekend als 'het ministerie Mackay'. Daar het
onderwijsvraagstuk de Roomse en Antirevolutionaire Partij
samengebracht had, was het te verwachten dat één
van de eerste daden van het nieuwe ministerie zou zijn de
herziening van de lager onderwijswet 1878.
Deze herziening liet niet lang op zich wachten, al spoedig diende
de minister van binnenlandsche zaken 6) mr. AE Baron Mackay de
desbetreffende voorstellen bij de Staten - Generaal in. Mackay
toonde zich bij de indiening en behandeling van deze
wetsvoorstellen een beleidvol staatsman, die niet meer wilde
oogsten, dan er te oogsten viel. De oplossing voor de zo netelige
schoolkwestie werd door minister Mackay gezocht in de
subsidiëring van het bijzonder onderwijs. Deze oplossing was
afkomstig van de leider der Rooms-Katholieken Dr. Schaeapman,
welke deze vorm van tegemoetkoming, reeds bij de beraadslagingen
over de Grondwetsherziening in 1886, als de meest bruikbare had
aangewezen.
Het verkrijgen van subsidie voor een bijzondere school, was
natuurlijk aan zekere voorwaarden gebonden; zoo moest aan een
school, welke voor subsidie in aanmerking wenste te komen een
voldoend aantal leerkrachten verbonden zijn. Ook de Christelijke
scholen voor de opleiding van onderwijzers en onderwijzeressen
werden niet vergeten, voor elke opgeleide kwekeling ontvingen die
scholen een subsidie. De met de nieuwe wet te verkrijgen subsidie
voor de Christelijke school verlichtte niet alleen de
financiële druk, welke soms zo zwaar was; het was tevens een
schone gedachte, dat de Christelijke school voortaan zou worden
erkend. Verblijdend was het dat ook enkele liberale leden van de
Tweede Kamer het billijke van het wetsvoorstel inzagen en voor
het ontwerp stemden. Zo ging het ook in de Eerste Kamer; hoewel
in meerderheid liberaal was de ontvangst van het nieuwe ontwerp
er welwillend en werd dit ook daar aangenomen. Zodoende werd
althans een deel van het in 1878 geleden onrecht weer goed
gemaakt.
Ondanks het succes met de nieuwe onderwijswet bleven de
moeilijkheden voor het ministerie niet uit, de liberalen konden
het moeilijk verkroppen dat zij in de minderheid waren geraakt en
de kritiek welke het ministerie van deze zijde te ontvangen had,
was verre van gering. Dit was begrijpelijk.
Maar moeilijker valt het te begrijpen, dat de leider van de A. R.
partij, Dr. A. Kuyper, die door de wisselvalligheid van het oude
districtenstelsel, toen geen deel van de Tweede Kamer uitmaakte,
buiten de Kamer door het A. R. dagblad 'De Standaard' een lang
niet altijd gunstige kritiek op het beleid der regering en op de
houding der antirevolutionaire Kamerclub uitoefende.
Maar zowel de regering en de Kamerclub namen in de eerste plaats
tot richtsnoer hun eigen oordeel en behielden daardoor hun
zelfstandigheid. Dat 'De Standaard' kritiek uitoefende was haar
goed recht en zou zelfs verblijdend genoemd kunnen worden, indien
de kiezers zouden hebben ingezien dat de regering en de Kamerclub
met verschillende omstandigheden rekening hadden te houden,
waardoor beiden in de vrijheid harer bewegingen werden beperkt.
Dit werd echter door veel kiezers helaas niet altijd juist
gevoeld, en zo ontstonden er toen reeds kiemen van
ontevredenheid, welke zich later zo welig zouden ontwikkelen en
er tenslotte toe zouden leiden, dat er een scheuring in de
antirevolutionaire partij ontstond.
Vooral Keuchenius, de minister van Koloniën, bleek voor deze
kritiek zeer gevoelig, daar kwam nog bij, dat deze overigens zo
eminente staatsman zijn begroting door de Eerste Kamer zag
verwerpen, omdat Keuchenius een vijandige houding aangenomen zou
hebben tegenover 'de Islam' en te veel de zending zou hebben
begunstigd. De in meerderheid liberale Eerste Kamer verwierp om
die reden (niet om de begroting zelve de begroting van
Koloniën, met het gevolg dat Keuchenius ontslag vroeg en
werd opgevolgd door Mackay, terwijl als minister van Binnenlandse
Zaken in plaats van Mackay optrad Jhr. Mr. A. F. de Savornin
Lohman.
Dat Lohman de portefeuille van Binnenlandse Zaken aanvaardde,
kostte hem zo als later is gebleken de vriendschap met Dr. A.
Kuyper, en heeft er toe bijgedragen de scheuring in de
antirevolutionaire partij te bespoedigen. 7)
De spanning, welke reeds bestond tussen de
leiding van de antirevolutionaire partij en de kamerclub, tijdens
het optreden van het ministerie Mackay, werd door het aftreden
van dit ministerie niet weggenomen, integendeel nam deze spanning
toe, zelfs in zodanige mate, dat de eenheid in de partij er door
werd verbroken en er naast de antirevolutionaire voortaan een
andere partij kwam te staan n.l. de 'vrije antirevolutionaire
partij'.
De directe oorzaak 8) tot het ontstaan van deze partij is geweest
het kiesrechtvraagstuk.
Het kiesrechtvraagstuk was op zich zelf toentertijd nog een
hoogst belangrijk vraagstuk. Bezit thans iedere Nederlander van
25 jaar en ouder het actieve kiesrecht d.w.z. het recht om
daadwerkelijk aan een verkiezing te kunnen deelnemen, een
veertigtal jaren geleden was dit recht aan enkelen toebedeeld,
n.l. slechts aan hen, die daartoe een voor die tijd vrij hoge som
in de directe belastingen betaalden, met dit gevolg, dat de niet
bezittenden van het kiesrecht waren uitgesloten. De wijziging van
de grondwet in 1887 had het echter mogelijk gemaakt dat het
kiesrecht kon worden uitgebreid en ook hun kon verleend, die
voldeden aan kentekenen van geschiktheid en maatschappelijke
welstand door de wet nader aan te wijzen.
Deze wet werd bij de Tweede Kamer ingediend door den liberale
minister Tak van Poortvliet en bevatte zodanige ingrijpende
voorstellen, dat praktisch gesproken kon worden van invoering van
het algemeen kiesrecht. Minister Tak loste de grondwettelijke
zijde van het vraagstuk aldus op: Als kenmerk van geschiktheid
zou gelden de kunst van lezen en schrijven (te bewijzen door het
eigenhandig invullen van een aanvraag om op de kiezerslijst te
worden geplaatst) en als kenmerk van welstand het feit dat men
voorzag in zijn eigen onderhoud of in dat van zijn gezin, hetgeen
men geacht werd te doen door in het laatst verlopen jaar niet te
zijn bedeeld of drie maanden achtereen het zelfde verblijf te
hebben bewoond.
De overgrote meerderheid van de Tweede Kamer waaronder ook tal
van antirevolutionairen achtte dit in strijd met de grondwet
welke positieve kenmerken bedoeld had. Aanvaardde men over het
algemeen nog wel de schrijfproef als teken van bekwaamheid en als
teken van welstand het feit, dat men in het onderhoud van zich en
zijn gezin voorzag, men aanvaardde echter niet dat men daardoor
als toetssteen wilde gebruiken de twee zuivere negatieve
kenmerken van in het laatst verlopen jaar niet te zijn bedeeld en
in de laatste drie maanden niet uit zijn woning te zijn gezet,
hoedanig die woning dan ook ware; dat ging naar het oordeel van
de meerderheid van de Kamer alle perken te buiten en niets minder
dan spotten met de voorschriften der grondwet. De meerderheid van
de antirevolutionaire kamerleden onder wie ook jhr. mr. A. F. de
Savornin Lohman, achtte het ontwerp dan ook onaanvaardbaar De
leider van de A. R. partij dacht er anders over en gaf door
middel van 'De Standaard' het parool dat de wet moest worden
aangenomen. Toen nu enkele periodieken, o.a. de 'Protestantse
Noordbrabander', onder redactie van jhr. mr. A. F. de Savornin
Lohman de handelwijze van dr. A. Kuyper afkeurde alsmede het
ontwerp zelf, dit laatste als in strijd geacht met de grondwet,
werd door een bepaalde groep antirevolutionairen deze vrijmoedige
kritiek in strijd geacht met de eisen der partijpolitiek en werd
van verschillende zijden die openlijke kritiek veroordeeld.
Lohman en de meerderheid van de Kamerclub bleven hun ingenomen
standpunt handhaven, ook de Tweede Kamer ging niet met minister
Tak mee en verwierp de wet waarna ontbinding van de Kamer
volgde.
Tengevolge van deze gebeurtenissen vond er een scheiding plaats
in de A. R. Kamerfractie, deze is echter meer door Kuyper dan
door Lohman veroorzaakt. Immers na den strijd over de kieswet Tak
bewerkte hij de vorming eener afzonderlijke Tweede Kamerclub van
antirevolutionaire Kamerleden, die voorstanders der
wetsvoordracht waren geweest en waaruit de tegenstanders werden
geweerd. Lohman heeft nog lange tijd gehoopt dat men elkander
terug zou vinden; men stond immers op dezelfde grondslag.
Dit is echter niet geschied en in November 1896 werd een
commissie van advies ingesteld, bestaande uit een 2-tal
vooraanstaande anti-revolutionairen in het land, teneinde te
beraadslagen over hetgeen, in verband met de verkiezingen van
1897 wenselijk geacht werd. Deze commissie ontwierp een uit 14
artikelen bestaand program. In September 1898 kreeg de oprichting
van de 'vrije antirevolutionaire partij' haar beslag. De leider
van de nieuwe partij was jhr. mr. A. F. de Savornin Lohman en
haar orgaan het dagblad 'De Nederlander'.
De vrije antirevolutionaire of Christelijk-Historische partij
heeft, onder die naam, bestaan tot het voorjaar van 1903. In Mei
1903 nam zij een andere partij in zich op, en werd het eerste
gedeelte van haar naam losgelaten.
Tegelijk ongeveer met de oprichting van de vrije
Antirevolutionaire partij, ontstonden er in Nederland nog twee
andere Protestants Christelijke partijen, n.l. de
Christelijk-Historische Kiezersbond en de Fries
Christelijk-Historische partij.
De oprichting van de Christelijk-Historische Kiezersbond in die
jaren is te verklaren uit de omstandigheid, dat de bestaande A.
R. partij hoe langer hoe meer was geworden een gereformeerde of
'dolerende partij.'
De doleantie, de grote gebeurtenis op kerkelijk terrein aan het
einde van de 19e eeuw, begon toen in die dagen al te zeer het
stempel te zetten op het politieke leven in Nederland. Voor vele
leden van de bestaande A. R. partij, die behoorden tot de
Nederlands Hervormde Kerk was dit moeilijk te aanvaarden.
Niet te ontkennen viel, dat in die dagen zowel in de besturen der
Kiesverenigingen als in de Kamers en Gemeenteraden de
gereformeerde invloed overwegend was en het was geenszins
onbegrijpelijk dat er van Hervormde zijde verzet kwam tegen het
al te eenzijdige karakter der A. R. partij.
Maar onjuist was het van hen, die zich daar in het bijzonder
tegen hadden verzet om nog in sterkere mate in een dergelijke
fout te vervallen. Wie inderdaad het drukken van een kerkelijk
stempel op een politieke partij afkeurt behoort zich zelf op een
gans ander standpunt te plaatsen. Een Christelijke partij heeft
niet als leuze te stellen voor of tegen één of
andere kerk, maar gevolg te geven aan de samenbindende leuze van
Groen van Prinsterer 'tegen de revolutie het Evangelie'. Maar de
leden van de Kiezersbond deden hetzelfde wat zij de A. R. partij
ten laste legden, zelfs nog in sterkere mate, door o.a. te
bepalen in haar program (art. 3) dat wie door haar gekandideerd
wilde worden voldoen moest aan dit vereiste: geen lidmaat te zijn
van een Gereformeerde Kerk.
De Kiezersbond had na haar oprichting al spoedig met ernstige
moeilijkheden te kampen, in de boezem der partij ontstonden twee
stromingen.
De ene stroming ging in de richting van de beide
Antirevolutionaire partijen onder leiding van Dr. J. Th. de
Visser; de andere stroming onder leiding van Dr. A. W. Bronsveld
boog zich meer om naar het liberalisme. Bij de verkiezingen in
1901 kwam het tot een scheuring, de groep de Visser schaarde zich
toen aan de zijde der beide Antirevolutionaire partijen,
waartegen zich de groep Bronsveld hevig verzette; deze groep
bleef in de minderheid en verliet toen de partij.
De Kiezersbond, door de uittreding van de liberaal gezinde
elementen gezuiverd, naderde thans zo dicht de
Vrije-Antirevolutionaire partij, dat de mogelijkheid en
wenselijkheid van samenwerking wederzijds erkend werd.
reeds in het najaar van 1902 was de fusie dan ook te voorzien,
ook door het feit, dat het orgaan van den kiezersbond werd
aanqekocht door het orgaan der Vrije-antirevolutionaire partij
'De Nederlander'.
In Mei 1903 kwam de fusie tenslotte tot stand, een nieuw program
werd opgesteld minstens even beslist en positief als dat van de
oude bestaande antirevolutionaire partij van 1878. De
Christelijk-Historische partij was geboren.
Naast de Kiezersbond was nog een andere Protestantse Christelijke
partij ontstaan. De 24e Maart 1898 werd opgericht de Fries
Christelijk-Historische partij. Als organisatie bestond deze
partij eerst in 1898, doch haar geestesrichting was van oudere
datum. Als zodanig had zij uiting gevonden in de geschriften van
Dr. Ph. J. Hoedemaker. Haar hoofdbeginsel was de verwerping van
de onder de werking der revolutionaire beginselen in ons
staatsleven ingedrongen 'neutraliteit'.
Op onderwijs gebied bracht haar beginsel mee, dat zij niet
ijverde voor de bijzondere school, maar voor een Christelijke
openbare school. Hoewel deze partij is ontstaan in Friesland.
heeft zij zich ook buiten deze provincie begeven. Zo ontstonden
er ook in Zuid-Holland Kiesverenigingen, welke zich onder de
leiding der Fries-Christelijk-Historische partij schaarden. Als
haar leiders zijn vooral op de voorgrond getreden, Ds. H. van Eyk
van Heslinga, Ds. G. H. Wagenaar en Dr. Mr. J. Schokking.
De Fries Christelijk-Historische partij heeft als organisatie een
zelfstandig bestaan geleid tot Juli 1908, toen tenslotte onze
huidige Christelijke Historische Unie werd opgericht.
In het bovenstaande
hebben we reeds de groepen genoemd waaruit de huidige
Christelijk-Historische Unie is ontstaan. Deze groepen
waren:
1. de Vrij-Antirevolutionaire partij onder leiding van Jhr. Mr.
A. F. de Savornin Lohman opgericht in November 1896, sedert
September 1898 met eigen program;
2. de Christelijk-Historische Kiezersbond opgericht in 1897 onder
leiding van dr. J. Th. de Visser;
3. de Fries-Christelijk-Historische Kiezersbond opgericht in
Maart 1898 onder leiding van Dr. Ph. J. Hoedemnaker.
Dat deze zelfstandige politieke groepen elkander tenslotte vonden
en zich tot één partijorganisatie op 9 Juli 1908
formeerden, was geen toevalligheid.
Het uitgangspunt van al deze groepen was en bleef, de door Groen
van Prinsterer geleide geestelijke beweging van de tweede helft
der negentiende eeuw, waarin deze het Nederlandse volk met zoveel
klem had opgeroepen om terug te keren tot 'onvergankelijke
waarheden der Reformatie.'
Nooit genoeg kan daarom de betekenis van Groen van Prinsterer
voor ons gehele Protestants-Christelijk volksdeel naar voren
worden gebracht, omdat door hem aan gedachten, welke in de ziel
van het Nederlandse volk waren blijven voortleven, tastbare
vormen zijn gegeven.
Nu is geenszins bij Groen van Prinsterer de tijd blijven
stilstaan, ook ten opzichte van het Christelijk-historisch
beginsel, hetwelk een levend beginsel is, hebben zich
nuanceringen en stromingen gevormd, zonder aan de grote leidende
gedachte van Groen 'tegen de revolutie het Evangelie' ook maar
iets te kort te doen.
Zo zijn nu twee van die stromingen in de Christelijk-Historische
Unie tot samenvloeiing gekomen.
De eerste van deze stroming was de historisch - juridische
stroming, geleid door de Savornin Lohman met de vrijheid als
beheersend moment, een tweede stroming was de historisch
filosofische geleid door Hoedemaker met de eenheid van Overheid,
Kerk en Volk als bezielend ideaal.
Nu waren weliswaar de Savornin Lohman en Hoedemaker voor elkander
geen onbekenden, beide mannen hebben immers samengewerkt aan de
door dr. A. Kuyper gestichte vrije universiteit, maar de
omstandigheden leidden er toe, dat ze hun eigen weg zijn
ingeslagen. En misschien zouden deze beide mannen elkander ook
niet zo licht hebben teruggevonden, indien niet een derde hun tot
elkander zou hebben gebracht. Deze derde persoon was niemand
minder dan dr. J. Th. de Visser, de oud leider van de
Christelijk-Historische Kiezersbond welke reeds in Mei 1903 met
de Vrij-Antirevo1utlonaire Partij verenigd was. Het is de grote
verdienste van dr. de Visser geweest, dat deze de elk voor zich
zo grote mannen begreep en tenslotte tot elkander wist te
brengen. Waren er dan geen verschillen te overbruggen?
Neen!. Want in de onderscheidene programs der groepen bestond
zoveel overeenkomst, zoveel eenheid, dat men zich eerder moet
verwonderen over de scheiding welke altijd tussen deze groepen
bestaan had, dan dat men zich over haar uiteindelijke vereniging
zou verbazen. In één opzicht maakte het program van
de Christelijk-Historische Kiezersbond een gunstige uitzondering
ten opzichte van dat van de Vrij-Antirevolutionaire partij en de
Fries Christelijk Historische Kiezersbond; meer dan in de beide
andere programs kwam daarin het Christelijk sociale element op
den voorgrond.
Toen op den 9e Juli 1908, de geboortedag der huidige
Christelijk-Historische Unie, de vereniging van de groepen plaats
vond, mocht er dan ook gesproken worden van een werkelijke
vereniging, gebaseerd op eenheid van oorsprong en bedoelen. De
tijd heeft tot op heden ons geleerd, dat het zulks ook is
geweest. De toepassing van onze beginselen in de praktische
politiek heeft de grote waarde ervan steeds meer bewezen en zal,
naar wij hopen, ook in de toekomst deze waarde steeds weer
opnieuw doen erkennen. De ontwikkeling van het leven van mens en
maatschappij gaat steeds voorwaarts, maar de wijze waarop en de
regelen waarnaar deze zal plaats hebben, zullen alleen dan leiden
tot een Christelijke maatschappij, indien daarbij op onze
beproefde Christelijk-Historische beginselen zal worden
gebouwd.
1) Dat is een
ministerie waarvan alle leden dezelfde beginselen zijn
toegedaan.
2) Er zijn schrijvers die een groter aantal afgevaardigden tot de
volgelingen van Groen rekenen.
3) Men leze zo mogelijk, de karikatuur van Ds. J. de Liefde
verschenen in 1857, welke een bijzonder juist beeld geeft op het
onmogelijke karakter van de neutrale school. Deze is te vinden in
'De worsteling om het kind' door P. de Zeeuw J.Gzn. Uitgave W.
Kirchner, Amsterdam, 1925, op blz. 222.
4) Er bestond toen in den lande nog slechts een
antirevolutionaire of Christelijk-Historische partij op het
ontstaan van onze eigen Christelijke Historische partij komen wij
t.z.t. terug.
5) In deze vereniging hebben aanvankelijk Nederlands Hervormden
en Afgescheidenen voor het Christelijk onderwijs samengewerkt. De
gebeurtenis op kerkelijk terrein van 1886 (doleantie) leidden in
1890 tot de oprichting van de vereniging voor 'Christelijk
Volksonderwijs' onder leiding van Dr. J. Th. de Visser.
6) In 1888 bestond er nog niet een afzonderlijk ministerie van
onderwijs, zoals dat in 1920 door H. M. de Koningin is ingesteld,
vandaar dat onderwijs onder binnenlandse zaken
ressorteerde.
7) De reden waarom de heer Lohman in het ministerie Mackay
zitting nam, is door hem uitvoerig uiteengezet in een rede te
Goes op 11 Juni 1918, dus ongeveer dertig jaar later.
Dienaangaande is door hem o.a. gezegd: 'De rechterzijde was zwak
en het kostte heel wat voor dit kabinet mannen te vinden, maar
het gelukte en de liberalen waren er verrast over.
Toen echter Keuchenius aftrad, ontstonden echter de moeilijkheden
eerst recht. Keuchenius moest aftreden vanwege het votum der
Eerste Kamer en Dr. Kuyper wilde in verband daarmee de ontbinding
der Tweede Kamer: hij wilde het volk uitspraak laten doen tussen
het Kruis en de halve maan. Hij meende toch, dat Keuchenius was
gevallen als Christen omdat de Eerste Kamer de Mohammedanen wilde
ontzien. Dit dilemma vonden wij gevaarlijk en werd door ons als
politieke berekening beschouwd. De oplossing werd zo gevonden,
dat ik optrad in de plaats van Mackay, die de zetel van
Keuchenius innam.
Velen namen mij dit kwalijk en beschouwden het als een soort van
verraad van mij tegenover Keuchenius. Dit was echter niet het
geval: ik trad op in Mackay's plaats om de uitvoering van
Mackay's wet mogelijk te maken.
Om die reden was het, dat ik na rijp beraad, het zinkende schip
betrad en na anderhalf jaar verdronk. Mijn optreden in het
kabinet heeft zodoende enigszins een stoot gegeven aan het
vertrouwen, dat ik tot die tijd bij het antirevolutionaire volk
genoot.'
Het fragment van deze rede is te vinden in: H. van Malsen. A. F.
de Savornin Lohman. Uitgave De Erven T. Bohn. Haarlem,
1931.
8) Hoewel de directe oorzaak van de splitsing in de A.R. partij
het kiesrechtvraagstuk was, zijn er meerdere oorzaken waardoor
deze tenslotte in 1906 werd voltooid.
In de allereerste plaats sprak de kerkelijke kwestie ook een
woordje mee, immers de verwekker van de doleantie (de grote
gebeurtenis op kerkelijk terrein in Nederland aan het einde van
de 19e eeuw) was Dr. A. Kuyper tevens leider van de A.R.
partij.
Hoewel de doleantie aanvankelijk haar werking in geringe mate had
doen gevoelen, begon deze echter later tussen de politieke
geloofsgenoten grote scheiding te maken. Theoretisch had het
verschil op kerkelijk gebied met politiek niets te maken maar
praktisch we1.
Men heeft in die dagen Lohman nog al eens verweten, dat hij
eigenlijk niet tot de anti-revolutionairen behoorde en eigenlijk
tot de conservatieven zou moeten worden gerekend en dat het
streven tot het oprichten van de vrije antirevolutionaire partij
bedoeld was om het streven van Dr. A. Kuyper in democratische
richting tegen te gaan.
Deze bewering kan moeilijk door ons worden aanvaard, in de eerste
plaats omdat Lohman een Groeniaan was, een zoon van het
réveil, die zelf eens zo juist had gezegd: 'niet aan Dr.
A. Kuyper sloot ik mij aan, maar aan de beginselen door Mr. Groen
van Prinsterer beleden'. In de tweede plaats had Lohman reeds in
1875 zijn bekende werk uitgegeven: 'Gezag en vrijheid', een werk
dat toentertijd de warme instemming genoot van al wat zich in den
lande anti-revolutionair noemde.
Dat Lohman niet tegen vermeerdering van het kiezerskorps was,
moet m.i. blijken uit het feit dat reeds op den 22 Mei 1885 in de
Tweede Kamer door hem is voorgesteld om te komen tot een
verlaging van de census om op deze wijze reeds het kiezerscorps
uit te breiden, en dat het uitsluitend grondwettelijke bezwaren
waren die hem deden besluiten tegen de wet Tak te
stemmen.
Wilt u meer weten over Groen van Prinsterer, Kuyper, Lohman
enz. klik dan op deze link die verwijst naar het Nederlands Instituut voor Geschiedenis.