In dit gedeelte vindt u opgenomen Hoofdstuk 9 uit het boek
"Jhr Mr Alexander de Savornin Lohman 1837 - 1924 door Dr. L. C.
Suttorp, 's Gravenhage 1948.
Dit hoofdstuk handelt over Groen van Prinsterer en zijn contacten
met Lohman.
G. Groen van Prinsterer geb.
in 1801 te Voorburg op Vreugd en Rust; 1817 Student in de
letteren en rechten te Leiden; 1823 promotie tot doctor in de
letteren en in de rechten; advocaat te 's-Gravenhage In 1827
referendaris aan het Kabinet van Koning Willem I, daarna
secretaris. In 1833 verbonden aan het Koninklijk Huisarchief. Lid
der Dubbele Kamer in 1840; in 1849 lid der Tweede Kamer tot 1857;
daarna enkele malen met onderbreking (1862-'65; 1866). In 1876
overleden.
Het heeft lang geduurd eer de beide geestverwanten met elkaar in
persoonlijk contact kwamen. Verwonderlijk is dat op zich zelf
niet. Lohman leerde Groen kennen uit diens publicaties, in de
vijftiger jaren reeds, toen Groen man van naam, Lohman aankomend
student was. Nauwkeuriger aangeduid: Lohman nam kennis van Groens
geschriften sinds 1856, het jaar waarin Groen op de voorgrond
trad in verband met het aftreden van het conservatief gekleurde
kabinet v. Hall. Zo er sprake was van een anti-revolutionair
ministerie zou Groen, de principiële bestrijder van
Thorbecke de oppositie-leider gedurende het ministerie van Hall,
de man van het ogenblik kunnen zijn. Lohman was toen nauwelijks
zijn juridische studie begonnen aan de Groningse
Universiteit.
Wanneer hun correspondentie begint zijn we bijna twintig jaren
verder. Gedurende die jaren is Groen voor Lohman geweest een
geestelijke leider, naar wie hij gaarne opzag, naar wie hij zich,
daar hij zich homogeen voelde met diens gedachtenwereld, bij
voorkeur "Groeniaan" noemde. Lohman was voor Groen een jonge man,
die hij bij name althans gekend moet hebben. Een nicht van Groen
was n.l. getrouwd met een van Lohman's beste vrienden, zijn neef
S. M. S. de Ranitz 1). Of uit deze
gemeenschappelijke relatie een persoonlijke kennismaking
voortvloeide, blijkt niet. Waarschijnlijk wel! Zo is tenminste de
wijze waarop Lohman zich in zijn eerste brief tot Groen richt,
waarover straks nader, verklaarbaar. In elk geval heeft Lohman
aan Groen te danken, zij het middellijk door de Ranitz, dat zijn
aandacht gericht werd op de geschriften van Vinet, welke hem in
de jaren, waarin hij een geestelijke crisis doormaakte, tot steun
en troost zijn geweest.
In 1872 begint de briefwisseling tusschen beiden, die tot aan
Groen's dood in 1876 voortduurt.
De toon der brieven is enigszins - niet in de betekenis van
nuchter - zakelijk, doch zoals past bij de verhouding oudere -
jongere. Eerbied voor de oudere, anderzijds waardering voor de
jongere zijn kenmerkend voor die verhouding.
Van grote vertrouwelijkheid getuigen ze niet, al is er een zekere
toenadering af te lezen uit de manier waarop zij hun brieven
adresseren. Het Hoogedelgestrenge Heer, dat Lohman boven zijn
eerste brief zette werd Hooggeachte Heer en vriend, later zelfs
Hooggeachte vriend. Groen's Hoogwelgeboren Heer boven zijn
brieven aan Lohman werd tenslotte Hooggeachte vriend. Groen
schreef meestentijds, als iemand wiens tijd druk bezet is, korte
briefjes in een slecht leesbare hand; hij was trouwens al in de
zeventig toen hij in schriftelijk contact met Lohman trad.
Lohman nam de tijd voor zijn met rustige, vaste hand geschreven
brieven, die soms zeer uitvoerig werden, een enkel maal zelfs van
een opvallende uitvoerigheid.
De aanleiding tot het begin der correspondentie was een vraag. Op
een debatingclub, waar Lohman lid van was, kwam bij de discussie
ter sprake een zinsnede uit Groen's Handboek, welke vermeldt, dat
in 1641 de R. K. kerk in Amsterdam werd vrijgelaten 2). Lohman vraagt nu op welke bron Groen zich daarbij
beroepen kan, aangezien hij er prijs op stelt aan te tonen "de
juistheid en nauwkeurigheid waarmede U de vaderlandse
geschiedenis hebt beschreven" 3).
De dag daarop diende Groen hem op correcte wijze van antwoord.
Hij is door Lohman's schrijven aangenaam getroffen en richt aan
het slot van zijn brief een invitatie tot hem in deze
bewoordingen: "Hoe aangenaam zou het mij zijn wanneer zich weldra
de gelegenheid van frequente mondelinge gedachtewisseling met U
opdeed!" Door Lohman's mededelingen is zijn belangstelling voor
de debatingclub gewekt. Hij maant hem intussen tot
voorzichtigheid, om zich niet te laten voeren op het terrein der
détails, waardoor de strijd over de beginselen op de
achtergrond zou raken. Hij wenst niet, dat het crediet van zijn
Handboek afhankelijk gesteld wordt van de onberispelijkheid der
onderdelen en geeft op het punt in discussie enigermate toe; een
meer soepele redactie ware in zijn oog wellicht beter geweest,
reden waarom hij Lohman op het hart bindt geen discussie over het
betreffende woord uit te lokken 4). Bij
herhaling betuigt Groen zijn dankbaarheid. dat hij in hem een
medewerker en zo uitnemend verdediger gevonden heeft, hetgeen hem
"tot veel bemoediging en vreugd" strekt.
Blijkbaar heeft Groen de brief vergezeld doen gaan van een
exemplaar van zijn Handboek. Althans een paar dagen later dankt
Lohman hem voor de toezending van dat werk, "èn als bewijs
van welwillende toegenegenheid (indien het mij geoorloofd is die
te onderstellen, voegt hij er bescheiden aan toe) èn als
hernieuwd aandenken aan U, aan wien ik de kennismaking met Vinet
en daardoor, voor een groot deel, de voorbereiding tot mijn
christelijk geloof te danken heb".
Van Groen's kant was het toezenden van genoemd boekwerk een fijne
attentie tegenover de jeugdige Lohman, die in een vorige brief
het gemis aan bronnen ter toetsing van Groen's uitspraak had
toegelicht met de verzuchting: "een groote bibliotheek heb ik
helaas niet". Het hinderde Lohman, dat Groen als historicus door
menigeen bij mannen als Bakhuizen van den Brink en Fruin werd
achtergesteld en tegenover Groen moet hem van het hart, dat men
"met zekere voorname onverschilligheid niet slechts Uwe
beschouwingen, maar ook de door U meegedeelde feiten aanhoort".
Was het een in de debatingclub opgedane ervaring die hem aldus
deed schrijven? Niet onwaarschijnlijk! Het was een kring van
ongeveer vijftien leden van de meest uiteenlopende
richting.
Hij heeft zich aangaande het kwestieuze punt voor de
eerstvolgende vergadering duchtig voorbereid en laat in zijn
uitvoerige brief aan Groen zien hoe hij zich de gang van zijn
betoog voorstelt. Het werd een kleine voorstudie van zijn eerlang
te schrijven "Gezag en Vrijheid" en verschillende hier in kleine
kring uitgesproken gedachten zal hij straks in zijn eerste groote
publicatie in breder verband toelichten. Reeds hier spreekt hij
het uit dat, zoolang niet alle staatsburgers Evangeliebelijders
zijn, staatsonthouding op godsdienstig gebied plicht is. Geen
andere macht worde de staat toebedeeld dan "het mogelijk maken en
vergemakkelijken van de samenleving".
En bijna letterlijk zal men in zijn "Gezag en Vrijheid"
terugvinden de grensbepaling tusschen particulier initiatief en
overheidsinmenging in het volgende briefcitaat: "Waar dus
vereniging nodig is tot bereiking van een niet met de orde
strijdend doel en die vereeniging door particuliere krachten niet
tot stand kan komen, mag de staat ordenend optreden" 5).
Scherp dringt hij de staat in zijn roeping terug naar de plaats,
vanwaar hij slechts alles "mogelijk" te maken heeft wat met de
orde niet strijdt, zoals de godsdienst, het onderwijs, de
welvaart. Daarom moet de staat zich onthouden van het geven van
onderwijs, het leren van godsdienst enz. of, aldus Lohman,
gelijke ondersteuning van allen, indien de particuliere krachten
te kort schieten.
Tenslotte komt hij over zich zelf te spreken. Hij excuseert zich
min of meer, dat hij niet meer presteren kan dan hij in de
gegeven omstandigheden doet. De oorzaak? "Drukke werkzaamheden en
gebrek aan velerlei talenten verhinderen mij om krachtiger dan
ik doe mede te werken tot omverwerping van het staatsonderwijs en
het mogelijk maken van goede protestantse opvoeding". Toch meent
hij niet ontevreden te moeten zijn, omdat ook in kleinere kring
zelfs een gewoon soldaat iets goeds kan verrichten!
Een verplaatsing naar Den Haag zou hem intussen wel lijken o.a.
omdat het contact met Groen vee1vuldiger zou kunnen zijn.
Voorshands zal hij zich evenwel moeten tevreden stellen met
schriftelijke gedachtewisseling. Hem wachtte in de bisschopstad
nog een belangrijke taak. Dezelfde man, die in 1872 in de
schoolkwestie nog een bescheiden rol speelde, wordt een jaar
later midden in de strijd geworpen. De Bossche schoolkwestie
roept hem tot de daad en met vrienden en geestverwanten wordt een
activiteit ontplooid, die buiten stad en provincie de aandacht
trekken zal.
Ook Groen moet worden ingelicht! En wel in een schrijven waarin
Lohman hem inlichtingen vraagt over een heel andere kwestie n.l.
de toenmalige kerkstrijd in Duitsland 6).
Voorlopig geeft hij over de Bossche kwestie slechts een weergave
der feiten en een aanduiding in welk stadium het conflict gekomen
is.
Korte tijd later stuurde Groen hem zijn uitgave van Thorbecke's
brieven. Lohman waardeerde het als een bewijs, dat Groen enig
belang in hem bleef stellen, hetgeen hij des te meer op prijs
stelt, nu hij zich in Den Bosch min of meer eenzaam
gevoelde.
De beginselen van Groen naast die van Thorbecke stellende plaatst
hij zich vanzelfsprekend naast eerstgenoemde. doch dit belet hem
niet om "veel meer dan voorheen' waardering te hebben voor
Thorbecke's kennis en vaderlandsliefde. Zijn groote bezwaar tegen
Thorbecke is diens Christendom boven geloofsverdeeldheid, hetgeen
hij niet aarzelt een "geloofs- en zedebedervend
expédient" te noemen 7).
Via deze opmerking glijdt hij als vanzelf over op het vraagstuk
van de verbinding van staatsrecht en Evangelie, van de verhouding
van staat en godsdienst. Opnieuw zet hij tegenover Groen uiteen
wat hij denkt van de staatstaak op zedelijk en godsdienstig
terrein. De vraag die zich namelijk telkens bij hem opdringt is
deze: voor mij, die aan de leiding van een persoonlijk God
geloof, is de onderwerping mijner beginselen aan het Evangelie
gemakkelijk. Maar voor anderen? Deze dwingende vraag brengt hem
tot de conclusie dat, zoolang het Evangelie niet gemeengoed van
allen is, staatsonthouding èn op zedelijk èn op
godsdienstig terrein plicht is. "Ik zou verlangen" - en men
herkent weer den toekomstige auteur van Gezag en Vrijheid "dat
de staat zich noch, met de gezondheid, noch met de opvoeding
zijner burgers inliet, noch met enig zedelijk belang, behalve in
zoover al die dingen, even als materiële zaken, niet kunnen
worden verkregen dan door samenwerking van de belanghebbenden".
Op wie de taak van bemoeiing dan wel rust? Op kerken en
filantropische inrichtingen. "Vrije beweging, meer niet, heeft
het Evangelie nodig: elke wereldse hulp maakt Zijne kracht
krachteloos".
Hier spreekt niet de man die het weet, doch de leerling die zijn
uitspraken getoetst wil zien aan het gezaghebbende woord van de
meester. Hij wil de zaaier doen zien, dat het door dezen
uitgestrooide zaad niet geheel verloren ging, zij het dan dat het
niet zoo goed ontkiemde als door U verlangd werd". Bij deze
laatste woorden hebben we niet alleen, misschien ook niet in de
eerste plaats aan bescheidenheid te denken. Lohman bezit genoeg
zelfkennis om te weten, dat hij er nog niet aan toe is om over
deze dingen in het openbaar te spreken. Dat daarin voor Groen
iets teleurstellends lag kon hij zich indenken. Vandaar dat hij
de ander troost met de opmerking, dat hij wellicht er toe bestemd
is om het zaad naar vruchtbaarder bodem over te brengen. Zo keert
in andere vorm het beeld terug van de gewone soldaat, die in
beperkte kring verdienstelijk werk kan doen. "De ijver van den
werkman" schrijft hij, "behoeft niet in verhouding te zijn tot de
uitgebreidheid van den kring waarin hij arbeidt". Voorlopig zou
hij zich daarom onthouden, niet van studie, doch van
publiceren.
Het liep anders! Een gesprek met Groen nog in het najaar van 1873
ging over het plan om tot het schrijven over te gaan van een
brochure over de grenzen van de staatswerkzaamheid. Het werd de
uitwerking van de reeds meermalen door hem geponeerde stelling.
dat de staat geen andere roeping had dan om bij strijd van
belangen tussen de belanghebbenden te beslechten. In het algemeen
verdedigde hij de inperking van de staatswerkzaamheid. Lang
aarzelde hij om zijn denkbeelden op papier te zetten en aan de
openbaarheid prijs te geven, omdat hij ongaarne meewerkte tot
"het verbreiden van iets onwaars". Bovendien had hij voor
zichzelf het gevoel, dat hem de nodige historie kennis ontbrak. Zo
b.v. omtrent de rechtstoestanden in de republiek
véér 1795, hetgeen hem er toe brengt om opnieuw
Groen's hulp in te roepen.
Van de besprekingen in de debatingclub houdt hij Groen nauwkeurig
op de hoogte, voor zoover de onderwerpen Groen kunnen
interesseren. In verband met een door een der leden te houden
lezing over de noodzakelijkheid van de wereldlijke macht van de
paus en de onrechtmatigheid van de vermeestering van Rome, had
Lohman enige litteratuur gevraagd over de kwestie 8). Reeds bij voorbaat had hij zich, aldus bekende hij
Groen, achter deze stelling geplaatst, omdat hij met die
noodzakelijkheid, wel te verstaan voor het R. K. geloof,
instemde.
Van hetgeen hij op de bewuste debatavond over deze stelling zelf
te berde bracht gaf hij in een latere brief 9)
een getrouw verslag, waaruit blijkt dat hij, zich plaatsend op
het R. K. standpunt, het ultramontanisme eenvoudig vermag te zien
als de consequente toepassing van de R. K. gedachtegang.
Inmiddels verliep de publicatie van "Gezag en Vrijheid" vlot.
Groen had hem bij den uitgever Kemink geïntroduceerd en
omstreeks half Juli 1874 had hij de kopie ingezonden. Met zekere
vrees zag hij de verschijning van zijn eerste groote werk
tegemoet, begrijpelijk overigens bij iemand die zijn reputatie
als publicist nog vestigen moest. Hoe zou de wetenschappelijke
wereld, hoe zou de pers reageren? Het meest zag hij op tegen de
kritiek van Groen zelf en van den scherpzinnige prof. Gratama,
zijn leermeester. Aan de suggestie van Groen om het als artikel
in een tijdschrift te plaatsen had hij geen gehoor gegeven, omdat
hij vermoedde dat dan de lezerskring al te beperkt zou blijven.
De mogelijkheid van een anonieme uitgave schijnt hij wei
overwogen te hebben, doch achtte hij tenslotte "in dezen tijd van
lauw- en lafheid" minder wenselijk 10).
Over de vrees voor kritiek zette hij zich tenslotte heen: "ik
beschouw de uitgave als mij opgelegd". Driemaal
had hij van de uitgaaf afgezien, omdat het hem ontraden werd.
Thans meende hij geen advies te moeten inroepen; immers "de
behandeling der quaestie is voor mij een heilige
zaak, omdat ik ze, hoe zeer ik dit niet aan den lezer meedeelde,
voor mij zelven als eene medewerking in den strijd voor Christus
beschouw; en daarom zal ik mij over den uitslag niet
bekommeren".
Het zou trouwens nog enkele maanden duren voordat het werk van de
pers kwam en inmiddels viel er belangrijk werk te doen. De
schoolkwestie in den Bosch nam in die tijd zijn aandacht in
beslag en vormde vooralsnog het hoofdthema van zijn
correspondentie met Groen.
Reeds had hij, toen hij in het voorjaar in den Haag logeerde, een
en ander mondeling met Groen besproken 11).
Over de ontwikkeling der zaak licht hij hem voortdurend in, onder
inroeping van zijn adviezen. Hij stelde zich voor om persoonlijk
naar den Haag te komen om bij enkele adressen belangstelling en
zoo mogelijk financiële steun te vragen voor de sohoolactie;
wellicht kon Groen daarbij helpen?
Het plan was om naast de neutrale scholen, die in den Bosch,
gezien het onderwijzend personeel een R. K. karakter droegen, uit
particuliere bijdragen een school te stichten "niet tot het
aanleren van leerstellingen, maar tot vorming van eene echt
christelijke levensbeschouwing". Daarmede zou thans tevens aan de
voorstanders der staatsschool het bewijs geleverd kunnen worden,
dat verdraagzaamheid en neutraliteit geen synoniemen waren.
Groen gaf zijn adviezen, deed het ook aan financiële steun
niet ontbreken, doch had wel bezwaren, zodat hij Lohman de vraag
voorlegde: Is deze weg de verkieslijkste?
Hij vreest nl. dat zodoende dragelijker gemaakt wordt een
schoolwet, welker ondraaglijkheid juist in het volle licht moest
worden gesteld. "Kunt gij niet welligt hetzelfde doel bereiken",
vraagt hij, "spoediger en beter en op een wijze waardoor de
noodzakelijkheid van wetsverbetering met meer kans van slagen zou
kunnen worden bepleit? 12)
Lohman nam de suggestie in zooverre ter harte, dat hij hem de
toezegging deed een en ander terstond met zijn vriend Pierson te
zullen bespreken. Onmiddellijk gewonnen gaf hij zich niet, al
bleef hij zich openstellen voor raadgevingen die van zijn
zienswijze afweken.
In 't kort kwam zijn redenering op het volgende neer 13). Hij begrijpt, dat Groen op zijn leeftijd, nu het
beloofde land nog ver af scheen, tot een snellere methode om tot
wijziging van de schoolwet te komen, aansporen wilde. Zelf zag
hij daarentegen in spoedige wetsverandering weinig heil. "Liever
nog een tijdlang de onderdrukking aanvaard, opdat er in de
gemoederen der menschen verandering kome". Hij
zag zelfs de verdrukking als een zegen. "Hadden wij in 1857 onzen
zin gekregen, de belangstelling in het onderwijs en in de
christelijke waarheid ware bij velen slapende gebleven". Hij
beschouwde de stichting van een school in den Bosch naast de
bestaande ook hierom van practisch nut, omdat op deze wijze de
Rooms Katholieken zouden ontdekken, dat bijbels onderwijs gegeven
kon worden zonder aan de gevoelens van ernstige Katholieken
aanstoot te geven.
Na alles uiteengezet te hebben achtte hij misverstand bij Groen
niet uitgesloten. Dit, gevoegd bij diens raad om, alvorens
financiële bijdragen te vragen, meerdere publiciteit aan de
zaak te geven, deed hem besluiten een brochure het licht te doen
zien onder de titel "De Staatsschool en de Roomse kerk".
Zijn hoop, dat het geschrift Groen's goedkeuring zou wegdragen
ging boven verwachting in vervulling. Niet alleen prees Groen het
geschrift bovenmate, hij vond er tevens aanleiding in om zijn
geldelijke bijdrage te verhogen. "Uw geschrift is m.i.
uitnemend", schreef hij de auteur 14). Het
bewijst niet enkel kunde en scherpzinnigheid, maar vastheid van
beginsel en onvervaardheid in het belijden".
Van Groen ging enige aandrang uit, dat er tussen Lohman en
Pierson enerzijds en Kuyper anderzijds een samenspreking zou
plaats hebben betreffende de onderwijskwestie, daar hij van de
zijde van Kuyper in de Standaard of oppositie of "flauwe
goedkeuring" vreesde. Lohman opperde tegenover dit idee enkele
reserves: hij kende Kuyper niet persoonlijk en kon moeilijk het
schoolbestuur binden wanneer hij zich in betrekking stelde met
iemand van wie hij niet wist of hij zich met hun handelwijze kon
verenigen.
Voorshands kwam van een conferentie niets; Groen kwam trouwens
tot het inzicht, dat Kuyper het met Lohman c.s. eens was 15). Dat Groen zelf met de uitwerking der plannen
sympathiseerde was voldoende gebleken uit de "zeer belangrijke
bijdrage", die hij voor de te stichten school aan de voormannen
in 's-Hertogenbos had doen toekomen. Wat de loftuiting van Groen
voor zijn brochure betreft, Lohman merkt daarover in alle
bescheidenheid op, dat in die eigenschappen die Groen hem
toeschreef in deze strijd de doorslag geven konden, de strijd
reeds lang "en door betere kampioenen" zou zijn beslecht. Hij
stelt zich dan ook van het effect der brochure weinig voor, omdat
men stond tegenover onwil. De eerlijkheid dwingt hem om tegenover
Groen, die hem om zijn onvervaard belijden had geprezen, te
bekennen dat het hem aan geloofskracht ontbreekt, meer dan Groen
zou willen geloven. Als vader van een huisgezin kan ik mij niet
altijd losmaken van de banden, die ons, door Gods toedoen zelf,
aan de wereld vastknopen".
Wat hij hier precies bedoelde blijkt niet. Het is aannemelijk dat
hij zinspeelde op de wereldse beslommeringen en materiële
zorgen, die een steeds wassend kindertal hem op de schouders
legde. In dit verband begrijpt men ook zijn eerbied voor Kuyper,
die temidden van zijn gezin nog tijd wist te vinden "voor het
schrijven van zoo menig voortreffelijk artikel" 16).
In het begin van 1875 deed Groen aan Lohman zijn laatste
publicatie op historisch terrein toekomen 17).
Het vervulde hem met dankbaarheid, doch met weemoed tevens bij de
gedachte dat het ogenblik komen kon, waarop men Groen zou moeten
missen. Het is waar, zijn werk zal blijven voortleven, maar "wie
zal aan de noodige kennis den, moed paren om zoo onverholen den
strijd te aanvaarden tegen ultramontanisme en ongeloof
beide?"
Noch aan Kuyper noch aan zichzelf behoeft hij bij deze exclamatie
te hebben gedacht, waar in 't bijzonder Groen's betekenis als
historicus in het geding was.
Het had Lohman getroffen, dat verschillende malen speciaal van
conservatieve zijde instemming was betuigd met zijn publicatie
"Gezag en Vrijheid". En op zijn opmerking, dat het de
antirevolutionaire beginselen vertolkte, had hij ten antwoord
gekregen dat men tegen dergelijke antirevolutionaire leringen
geen bezwaar had. Een en ander had hem op de gedachte gebracht,
dat de scheiding tussen conservatieven en antirevolutionairen
eerder toe te schrijven was aan gebrek aan kennis dan aan onwil.
Zo ja, dan was hiermede voor hem een taak aangewezen n.l. hoe de
conservatieven te winnen waren voor de a. r. beginselen. Dat dit
onderwerp bij iemand als Groen met de nodige omzichtigheid diende
te worden geïntroduceerd wist hij evengoed als wie ook.
Dezelfde Groen, die altoos op werving van conservatieven was
bedacht geweest, had tenslotte in 1871 principieel en helder de
scheidslijn tussen zich en de anderen getrokken 18). Schenen zij als antagonisten van de
vooruitstrevende liberalen aanvankelijk welkome bondgenoten in de
strijd tegen de machtspositie van het liberalisme, op het meest
bedreigde front nl. de strijd om de school bleken zij te weinig
belijnd.
In zijn kritiek op de conservatieve richting als zoodanig stond
Lohman - hij liet niet na dit voorop te stellen - achter Groen.
Ook naar zijn inzicht stonden de conservatieven als partij "op
een zandgrond, op een vlak waarlangs zij naar de liberalen
toeglijden" 19). Doch daarmede achtte hij niet
alles gezegd. Samenwerking tegenover "den tegenwoordigen
algemeenen afval" was geboden. En waar onkunde in het spel was
diende voorlichting gegeven te worden. Dezelfde schoolkwestie die
Groen als punt van beslissing in de crisis naar voren had
geschoven, gaat Lohman ook hanteren als middel om de
conservatieven te winnen. Hij is ervan overtuigd dat, zo slechts
de conservatief de ogen worden geopend voor de argumenten van
billijkheid en rechtvaardigheid welke de schoolstrijd beheersen,
het doel zal worden bereikt. Niet dat een spoedige oplossing van
de schoolkwestie kan worden verwacht, doch hieruit kon als
positieve winst geboren worden oefening in "zelfregering en
offervaardigheid". Lohman gaf gaarne toe dat de omstandigheid,
dat de overwinning nog niet in het zicht was, de beslissing voor
de conservatieven om zich naast de antirevolutionairen en
tegenover de liberalen te plaatsen niet gemakkelijk maakte. Te
dien aanzien sprak hij tegenover de hoofdredacteur van het
conservatieve Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage klare
taal, toen hij aan de verwachting uiting gaf dat een nederlaag
voor de deur stond! Dat nam niet weg dat in de strijd, niet na de
strijd partij gekozen diende te worden. Voor neutraal of voor
niet neutraal onderwijs? Neen, liever poneert hij de
tegenstelling: billijk of onbillijk, eerlijk of niet eerlijk.
Voor allen die de nodige bereidheid bezitten om objectief te
oordelen wordt de zaak doorzichtig als glas, zo men het z.g.
restitutiestelsel als de meest eenvoudige oplossing liet zien.
Hetgeen hij deed in enkele nummers van genoemd conservatief
orgaan 20).
Hij vond zijn experiment gewichtig genoeg om Groen daarvan op de
hoogte te stellen. Hoe deze daarop gereageerd heeft blijkt niet.
Over de brief aan de hoofdredacteur, waarvan Lohman een kopie aan
Groen had doen toekomen, bewaarde deze een welsprekend
stilzwijgen, waaruit Lohman de conclusie trok, dat Groen zijn
politiek afkeurde. Zo niet het doel wellicht ongenade vond in de
ogen van de meester, het middel althans wel, veronderstelde hij
en, aldus de consequentie die hij daaruit trekt, "in de
praktische politiek onderwerp ik mij aan des Meesters
tuchtroede!"
Wat hiervan verder zij, zijn verwachtingen omtrent een nieuwe
partijformatie zijn in elk geval niet in vervulling gegaan. Het
zienderogen terug lopen van het aantal conservatieven kwam
weliswaar de antirevolutionaire partij ten goede, doch slechts
ten dele daar ook de liberale gelederen door conservatieve
elementen werden versterkt. Doch in zijn kijk op het verloop van
de schoolstrijd, die men kan weergeven met "een zekere
overwinning na een voorloopige nederlaag", kreeg hij het gelijk
aan zijn zijde.
In 1875 kwam Lohman in aanmerking voor een serieuze
kamerkandidatuur, doch op het laatste moment trok hij zich terug.
In het vermoeden dat enkele vrienden dit besluit niet zouden
goedkeuren - klaarblijkelijk verwachtte hij dat ook Groen tot hen
zou behoren - ging hij de motieven die hem daarbij hadden geleid
kortelings voor Groen uiteenzetten. Naast allerlei zakelijke
redenen kan men bij hem altijd de werking van de factor
bescheidenheid verwachten. Wat hij deswege aan Groen schrijft is
geen spel, doch diepe ernst. Hij wil zich wel aan de publieke
zaak blijven geven - de Bossche schoolkwestie heeft hem radicaal
die weg opgedreven - doch op een wijze, die hem het beste lijkt
en het meest past.
Groen keurde het genomen besluit niet af, wilde zelfs niet treden
in een beoordeling ervan, doch laat in zijn antwoordschrijven
duidelijk merken, hoe hij er over denkt. "Ik mag niet
ontveinzen", schrijft hij 21), "dat uw brief
mij zeer heeft getroffen. Ik vrees dat, na de spanning onzer
vrienden door het geheele land, de teleurstelling zeer groot en
ontmoedigend zijn zal. Doch ik vermeet mij niet uw besluit af te
keuren. Ik heb te veel eerbied voor de nauwgezetheid van uw
geweten en de scherpzinnigheid van uw verstand. Ook mag ik niet
voorbijzien dat Uw naam bij uitnemendheid geschikt is geweest om
een bewijs te geven der kracht van de christelijk-historische
partij".
De waardering, die uit zijn brief spreekt èn voor Lohman's
persoon èn voor diens werk, is niet gering. Wat Lohman
vooral op prijs stelde in Groen's schrijven was dat deze zijn
handelwijze niet misprees, zijn moeilijkheden bleek te
beseffen.
De brieven volgen elkaar nu snel op. Men voelt dat het gaat om
een beslissend moment in het leven van Lohman. Ja meer dan dat.
Groen, die zijn krachten voelde afnemen - het is
één jaar voor zijn dood - heeft in hem iemand
ontdekt, die met ere een plaats in het parlement zal kunnen
innemen; een veelbelovend jongeman, die noch voor de partij die
hij als oudstrijder straks zal moeten loslaten, noch voor het
landsbestuur dat dergelijke figuren niet missen kan, verloren mag
gaan.
Men vraagt zich af waarom Groen dan niet op krachtiger wijze
tegen Lohman's beslissing opgekomen is, waarom hij niet al zijn
overredingskracht heeft aangewend om hem tot een aanvaarden van
de kamerkandidatuur te dwingen. De verklaring is gelegen in de
omstandigheid, dat Groen niet beter wist of Lohman had de
beslissing genomen na overleg met Kuyper. "Ik heb mij," aldus
Groen 22) "de mogelijkheid niet voorgesteld dat
gij zoodanige decisie (en dat nog wel na in het eerst te hebben
toegestemd) zoudt nemen zonder overleg met - en ik durf zeggen
zonder voorafgaande berusting van Kuyper. Maar
zoo ik in de verste verte vermoed had dat aan onzen
voortreffelijken leader... deze zoo ontzachelijke teleurstelling
bereid werd, dan zou ik terstond gedaan hebben wat ik nu doe, en
my decided opposition zou U per omgaande post hebben
bereikt".
Nu het nog niet te laat is tracht hij hem van zijn voornemen
terug te houden. Hij waarschuwt Lohman, dat diens
verantwoordelijkheid dubbel groot zijn zal "èn om uwe in
het oog vallende superioriteit èn om de zeer opmerkelijke
wijs waarop zij in het laatste jaar (denk aan Gezag en Vrijheid)
door alle rigtingen erkend is. Wees verzekerd dat na eventuele
(quod Deus omen avertat!) weigering veel U zwaar
op het hart zal wegen dat ge thans misschien ligt telt".
Het bezwaar dat Lohman zijn rechterlijke betrekking niet met het
kamerlidmaatschap zal kunnen verenigen mag volgens hem niet
gelden. Niet alleen dat zulk een combinatie in de praktijk niet
ongewoon is, ook de grondwet rekent beide betrekkingen niet tot
de incompatibiliteiten. De minimale eis, die Groen meent te
kunnen stellen, is dat Lohman, omdat hij aanvankelijk had
toegezegd, althans voor één jaar de proef neemt.
Hoe het ook zij, hij verwacht dat de ander, nu er nog tijd van
beraad is, geen definitieve beslissing nemen zal zonder het
praeadvies van Kuyper, die, voegde Groen er typisch aan toe, tot
raadgeven vrij wat meer bevoegd was dan hij zelf.
Achteraf bleek dat een eventueel kamerlidmaatschap wel eens een
onderwerp van gesprek was geweest tusschen Lohman en Kuyper, niet
evenwel met het oog op het concrete geval, doch meer in algemene
zin en als terloops. Het standpunt van Lohman daarbij was, om
slechts indien het volstrekt nodig was over de bezwaren tegen een
kamerzetel heen te stappen. En op de vraag, die Kuyper voor de
Juniverkiezingen van 1875 tot hem gericht had, of hij er op tegen
zou hebben om in een dubieus kiesdistrict kandidaat gesteld te
worden, had Lohman geantwoord: "liever in een dubieus district
dan elders. Gij kunt met mijn naam doen wat ge wilt".
Het min of meer onbedoelde gevolg hiervan was geweest, dat Lohman
toen hij op verschillende plaatsen ongevraagd kandidaat werd
gesteld, een en ander niet al te ernstig nam. Toen was plotseling
de verrassende vraag uit Arnhem gekomen of hij bereid was te
aanvaarden. Na een aanvankelijke toestemming had hij
geweigerd.
Dat was gebeurd op zeer korte termijn en spontaan buiten zijn
vrienden om, omdat hij meende, na gebeden te hebben, Gods wil
duidelijk genoeg verstaan te hebben. "Ik meende", schrijft hij in
dit verband aan Groen, "door spoedig te handelen de ernstige
candidatuur nog te kunnen voorkomen".
Voor zich zelf had hij vrede met deze beslissing. In een gesprek
met zijn vriend Pierson liet hij zich in die kritieke dagen in
deze geest uit: als ik bedank toon ik dat het mij uitsluitend om
beginselen te doen is; als ik aanvaard verspeel ik mijn zedelijke
invloed hier op deze zendingspost - zoals hij den Bosch noemde.
De mogelijkheid van dwaling openlatende sprak hij met enkele
vrienden over de zaak en nadat ze hem hadden laten uitpraten
gaven ze hem gelijk.
Toen hij Groen van de negatieve beslissing op de hoogte stelde
geschiedde dat niet met de bedoeling om hem raad te vragen. Voor
zich zelf was hij besloten en aan iemand als Groen meende hij
geen raad te mogen vragen, als hij niet van plan was deze op te
volgen.
De ernstige brief, die Groen hem stuurde, heeft hem aan het
wankelen gebracht. Vandaar dat hij bij hem een persoonlijk
onderhoud aanvraagt. "Met U, vooreerst omdat, zoolang Gij
werkzaam blijft, ik U als leider blijf beschouwen; ten anderen,
omdat het hier niet slechts een politieke, maar ook en vooral een
conscientievraag betreft; er zijn slechts zeer enkelen die met de
noodige kalmte beide vragen kunnen
overwegen".
Men zal opmerken, dat het misschien meer voor de hand had
gelegen, althans meer in de geest van Groen zelf, indien Lohman
in dit geval Kuyper had geraadpleegd. Tegenover Groen bekent hij,
dit liever niet te doen om de eenvoudige reden, dat hij niet weet
of Kuyper wel in staat geacht kan worden dergelijke vragen rustig
onder de ogen te zien.
Men speure hier niet naar een reeds aanwezig geschil of verschil
tussen hem en Kuyper. Hij kende Kuyper nog te weinig dan dat hij
in een dergelijke kritieke kwestie a-priori Kuyper de meest
aangewezen raadsman kon achten. Zelfs zijn oudere vriend en
leermeester prof. Gratama, die van zijn kant ook aandrang op hem
oefende om in een kandidatuur toe te stemmen, werd door hem in
dit geval niet als "kalm en onpartijdig genoeg" beschouwd.
Groen, die aan Lohman's benoeming niet twijfelde, verklaarde zich
bereid om hem te ontvangen, doch suggereerde nogmaals de
wenselijkheid dat hij zijn bezwaren ook met Kuyper zou
bespreken.
Voor Lohman stond thans de zaak zoo dat hij bij een eventuele
verkiezing bereid was om Groen's beslissing te volgen. Hoe deze
zou uitvallen was niet onzeker. Groen schreef hem dat hij in het
gegeven geval tot aannemen zelfs verplicht was 23).
Evenwel zijn verkiezing had niet plaats en onmiddellijk stelt hij
Groen daarvan op de hoogte 24). De brief
weerspiegelt de stemming waarin hij verkeerde. "Intussen acht ik
den afloop te A. toch een geluk. Niet, op dit oogenblik, voor
mij, zelven; want ik ontveins niet dat er een zekere deceptie in
ligt... Maar ik vind dat het nu zoo goed is gegaan als het kan.
Ik behoef niet te bedanken, en dus de Partij te grieven en te
ontmoedigen. Intuschen behoef ik ook niet in de Kamer te komen,
zonder beslagen te zijn en kan mijn krachten elders beter
gebruiken. De liberalen zijn mij kwijt, in de Kamer, niet daar
buiten".
Zo blijft er voor hem genoeg te doen over. Persoonlijke
gevoeligheden worden op zij gezet. Voor pessimisme is geen
plaats, wel voor het belijden eener gemeenschappelijke schuld als
hij schrijft: "Ik zie dus de zaken niet donker in, en bedenk ook
dat wij zelven gedeeltelijk de schuld zijn van den haat, dien de
wereld ons toont, omdat, toen wij de meerderheid waren, niet
genoeg blijken van de voortreffelijkheid van ons
geloof hebben gegeven".
Wel werd hij met vrees vervuld als hij, het oog houdende op eigen
onervarenheid en op Groen's ouder worden, dacht aan het ogenblik
waarop men de leiding van de meester zou moeten missen. De toon
der dankbaarheid wordt niet gemist als hij bedenkt wat Groen ook
voor hem persoonlijk heeft betekend. "U kan ik nooit dankbaar
genoeg zijn" erkent, hij 25), "voor de geloofskracht die ik zoo
menigmaal aan het lezen Uwer werken ontleende". Doch anderzijds
klinkt, juist na het ontvangen van een van Groen's pennevruchten
het weemoedige: "Wij kunnen Uwe leiding nog niet missen". Ook
Kuyper zal dat gemis niet kunnen aanvullen, hoe hoog Groen en
Lohman zelf hem ook mochten waarderen om zijn talenten en zijn
ijver, omdat hij niet, althans nog niet, zou kunnen spreken met
de autoriteit die Groen zich verworven had.
Groen's betekenis ziet hij o.m. hierin dat deze, zich streng
houdende aan het Goddelijke woord, ook waar menselijke
vriendschap verkieslijker scheen, aan velen de ogen geopend had.
Voor hem is Groen een zaaier, die het goede zaad in ruime mate
had uitgestrooid en dien hij toewenst dat hij zelf ook enige
vruchten daarvan mag zien "al ware het maar dat gij het beloofde
land voor U zaagt".
Dat is Groen niet beschoren geweest! En wat erger was, met het
ouder worden ging hij zich steeds meer verlaten gevoelen. Niet in
de gewone zin, dat mensen uit zijn omgeving hem voor gingen en
door de dood ontvielen, doch in de tragische zin dat vrienden en
geestverwanten hem loslieten en hem de rug toekeerden 26). In die omstandigheden moet hij de vriendschap en
verering van jongere vrienden als Kuyper en Lohman dankbaar
hebben ervaren.
Als de laatste hem doet weten, dat hij er verzekerd van kan zijn
dat zijn strijd niet nutteloos is geweest, dankt Groen hem voor
deze opbeurende brief. Lohman had de schoolwet v. d. Brugghen,
waaraan door Groen zoveel pijnlijke teleurstellingen verbonden
waren, leren zien als een stukje van Gods wijs beleid waardoor de
christelijke geest ontwaakt was en men voor "indommelen" bewaard
gebleven was. De oprichting van bijzondere scholen dwong tot het
vragen van een geldelijke toelage, "maar", schrijft hij 27), "vast overtuigd ben ik, dat de wereld wederom zal
weigeren wat ons rechtmatig toekomt. Daardoor zal
zij hare onrechtvaardigheid toonen, maar
ons zal zij leeren, veel meer nog dan tot
dusver, ook ons goed, onze bezittingen op te offeren; derhalve
juist dat te doen, wat aan den rijke zoo zwaar valt". En bewogen
gaat hij verder: "Geve God, dat als ook mij die offers gevraagd
worden, ik niet aarzele. Ook in Uw gebeden beveel ik mij aan,
want waarlijk! ook hij, die niet in het politiek leven verkeert,
heeft veel kracht noodig. De wereld treft men
overal aan, allereerst in eigen hart".
Groen gaf, na het lezen van deze brief, toe dat het gestadig
herinnerd worden aan het "wij groeien in de verdrukking" nodig
was om niet in een neerslachtige stemming te vervallen en te
blijven. En dit laatste was het geval "altijd, wanneer we op ons
zelven en nooit, wanneer wij op den Almagtigen Bondgenoot zien"
28).
Dat mocht hij wel schrijven want ook Lohman, had soms moeite met
buien van neerslachtigheid. Toen in 't begin van 1876
onrustbarende berichten binnenkwamen over Kuyper's
gezondheidstoestand, toen in de januarimaand van hetzelfde jaar
Ds Doedes, de veelbelovende zoon van prof. Doedes en medestrijder
van Groen en Kuyper op nog jeugdige leeftijd kwam te overlijden
29), dreigde het ook hem te machtig te worden.
Immers ook Groen was een man van de dag en zich zelf beschouwde
hij slechts als noodhulp, daar het hem aan de gelegenheid ontbrak
om allerlei kwesties grondig te bestuderen. Het scheen wel,
schrijft hij bij Doedes' dood, of er nog te veel arbeiders in de
wijngaard waren; "men zou wankelmoedig worden, ten minste zoo men
vergat dat Gods wegen geheel andere dan de onze zijn".
Kuyper's ziekte verbond hem tijdelijk aan de Standaard, vooral
onder pressie van Groen. Hij zou nimmer zijn levensvulling in de
journalistiek hebben gezocht en wilde dan ook het interimaat
slechts aanvaarden op Groen's verantwoordelijkheid. Aan alle
kanten ziet hij bezwaren. Hij acht zich te zeer de mindere van
Groen dan dat hij eenvoudig diens journalistieke methode - Groen
zelf noemde het een plundersysteem - zou kunnen navolgen. Zo ver
werpt hij het van zich, dat hij uitroept eerder kans te zien elke
dag een hoofdartikel te schrijven dan zonder meer Groen's systeem
te volgen. "U wijst mij", schrijft hij in arren moede, "op uw
plundersysteem; maar wie uw geschriften las - ook de Nederlander
- zal erkennen dat de schrijver nog iets anders dan een
plunderaar moet zijn!"
Groen moet ook niet vergeten, dat de omstandigheden voor hem
zoveel gunstiger zijn dan voor zijn jongeren vriend, omdat deze
in zijn provinciestadje het contact met de intellectuele wereld
mist. "Zelden wordt mij iets goeds toegezonden; nooit spreek ik
met iemand die op de hoogte is van de schriften van den dag;
interessante brieven ontvang ik natuurlijk zelden", luidt zijn
klacht 30). Toch wil hij het, onder het
inroepen van de hulp van Groen, proberen en hij vraagt hem om
opgave van titels en om hem nu en dan een wenk te geven en zijn
aandacht op geschriften te vestigen.
In de praktijk viel het nog wel mee. Het bezwaar, dat hij niet
onmiddellijk geschikte onderwerpen voor het grijpen had, werd
aanvankelijk opgeheven door een reeks artikelen welke aan de
schoolstrijd konden worden gewijd 31). Dat
onderwerp lag hem het meest en daarover kon hij met Groen ernstig
van gedachten wisselen; eerst langzamerhand vindt hij een andere
vorm en gaan de entrefilets en de polemieken met de dagbladpers
een bredere plaats innemen.
Tot in het laatst van zijn leven behield Groen belangstelling
voor de schoolkwestie en in zijn correspondentie met Lohman
blijft die kwestie het hoofdthema. En telkens blijkt ook, dat
Groen aan Lohman geregeld financiële bijdragen hetzij als
vaste contributie hetzij als som ineens doet toekomen. Als Lohman
er toe komt om enkele concrete punten te formuleren 32), is het Groen die hem tot voorzichtigheid maant en
hem er voor waarschuwt zich niet over de modus quo uit te spreken
33).
Lohman is niet gehecht aan een bepaald schema, vindt het
belangrijker dat de volksopinie wordt bewerkt, doch meent voor
zich zelf klaar te moeten zijn en te weten wat hij wil 34). Altijd onderwerpt hij in die zaken
voorzichtigheidshalve zijn beleid aan het oordeel van zijn
"hooggeachte vriend". De vrees, dat hij eens Groen's steun en
waardevolle adviezen zal moeten derven, doet hem het waarschuwend
woord tot Groen richten, dat deze zich in acht moet nemen. "Hoe
zeer ik ook naar Uwe Nederlandsche Gedachten verlang, ik bid U,
verg toch niet te veel van U zelf. Nu minder dan ooit kunt gij
gemist worden" 35). Groen had hem n.l. bericht
dat hij de uitgave der Nederlandsche Gedachten wenste te
hervatten en reeds kopie naar de drukkerij gezonden had. Het was
een van de laatste brieven, die Groen tijdens zijn leven ontving.
Een maand later nam de dood hem weg en moest Lohman zijn
vaderlijke vriend missen. Meer nog: in hem verloor christelijk
Nederland één zijner beste strijders, het land
één zijner principiëlste
parlementariërs.
Groen's geest bleef nawerken en zijn invloed op Lohman was
duurzaam. Het had hem getroffen - vele jaren daarna maakte hij er
gewag van -, dat Groen op zijn sterfbed hem zijn groeten had doen
toekomen en zijn instemming had betuigd. Of Groen in hem meer
vertrouwen stelde dan in Kuyper? Lohman was voor zich zelf
daarvan overtuigd, doch het feit is moeilijk na te gaan, temeer
daar hij deze overtuiging uitsprak twintig jaren na Groen's dood
en nadat zijn conflict met Kuyper uitgebroken was.
Dat hijzelf Groen meer vertrouwde dan Kuyper is een
onweersprekelijk feit. Vandaar dat hij Groen zo miste, niet
alleen in de eerste jaren na 1876, maar ook nog jaren daarna; en
dat hij besefte, dat Kuyper nimmer diens plaats kon innemen.
Wanneer hij zich geplaatst ziet voor een moeilijke beslissing is
immer de verzuchting: leefde Groen nog maar!
Hoe gaarne zou hij diens raad hebben ingewonnen, toen hij op het
punt stond zich blijvend aan de Vrije Universiteit te verbinden.
Het was hem bij het nemen der beslissing een bemoediging, te
weten dat Groen daaraan zijn goedkeuring zou hebben gehecht. "Ik
zou", schreef hij 36). "wanneer de edele Groen
van Prinsterer nog leefde, - de eenige wiens beeld in mijn huis
staat - ook hem durven vragen, of hij goed vond dat ik ging, en
ik ben zeker dat hij gezegd zou hebben: zeer
zeker".
En bij zijn partijkiezen in 1886 was hij er van overtuigd, dat
ook Groen tot de Doleantie zou zijn overgegaan 37).
Kort na zijn aftreden als minister in de voor rechts ongunstige
politieke constellatie, toen de tegenstelling met Kuyper
scherpere vormen ging aannemen, dook telkens de herinnering aan
wat Groen voor hem persoonlijk betekend had weer op. "Zoo vaak
denk ik", schrijft hij aan Keuchenius 21 Oct. 1892), "ware "onze
Groen" die zoo helderziend was waar het de beginselen betrof en
die zich nooit om het succes van den rechten weg liet afleiden, ware hij hier, hoe gaarne zou ik hem raadplegen". En mismoedig
vervolgt hij:"Ik kan nooit - het doet mij leed het te moeten
zeggen - met een volkomen vertrouwen spreken met
Dr Kuyper, want hij zegt niet altijd wat hij meent".
En voor de persoon èn voor het werk van Groen had hij
groote waardering. Voor de principiële zijde van diens
strijd voor de school had hij reeds als student oog gekregen en
onmiddellijk had hij gevoeld: ik hoor bij Groen 38). En toen hij al rechter in den Bosch was las hij
niet anders dan Groen, zoals hij eens, niet zonder overdrijving,
in een vertrouwelijk gesprek opmerkte. Hij heeft, hierboven werd
er reeds op gewezen, Groen nog tijdens diens leven dank geweten
voor de geloofskracht, die hij zo menigmaal aan het lezen zijner
werken ontleende. Een zijner beste werken achtte hij Groen's
publicatie "Le parti anti-révolutionnaire et
confessionnel", een stukje contemporaine geschiedenis uit het
jaar 1860.
Lohman is altijd Groen blijven bestuderen, met name ook toen hij
geroepen werd om aan de V. U. college te geven en niet zonder
reden kon hij zich, toen hij reeds oud geworden was, noemen een
discipel van de voortreffelijke, misschien onovertrefbare, doch
te weinig gekende Groen van Prinsterer 39).
Meermalen eert hij in zijn kamerredevoeringen de nagedachtenis
van Groen, den staatsman "aan wiens vrome zin, gerechte
vaderlandsliefde... geen man van kennis twijfelen zal" 40).. Hij noemt hem de man, die Nederland nooit genoeg
kan betreuren, het kamerlid wiens veldheerschap men node mist.
Zelf zich gaarne beroepend op Groen's vroegere uitspraken en
handelingen, verdedigt hij hem tegen dezulken, die ten onrechte
citaten uit zijn werken in de mond nemen. Groen's betekenis voor
land en volk zag hij hoofdzakelijk op drieërlei terrein n.l.
dat van school, kerk en historie. De vrijheden op schoolgebied
waren in de eerste plaats aan zijn pioniersarbeid te danken en de
strijd voor die vrijheden had de ogen geopend voor de waarde van
ideële goederen. Op kerkelijk gebied streed Groen voor de
losmaking van de banden, die de kerk aan de overheid gebonden
hielden. En tenslotte had zin historische arbeid bijgedragen tot
verlevendiging van het nationaal besef 41)".
Voor Groen's adagium "een staatsman niet, een evangeliebelijder"
had hij als staatsman het juiste begrip. Geheel in de lijn van
Groen's eigen interpretatie 42), welke te
kennen gaf dat hij enkel in de belijdenis van het Evangelie ook
in de politieke strijd zijn kracht wenste te zoeken, zag Lohman
in hem den man, die het in de eerste plaats om het Evangelie te
doen was, doch die de staatsmansgaven geenszins waren
ontzegd.
In de onmiddellijke nabijheid van deze uitspraak kan men de
opmerking plaatsen, dat Groen's betekenis als staatsman vooral
hierin gelegen was dat hij minder als partij man dan als
verdediger van een groot beginsel was opgetreden 43)
Men voelt, dat in het poneren van deze tegenstelling de
mogelijkheid van een kritisch ingestelde uitwerking opgesloten
ligt. Welke dan ook prompt te voorschijn treedt zodra hij Groen's
onderwijs - politiek nader beziet. Hij heeft het immer in Groen
als een tekort gevoeld, dat deze zijn ideaal van gezindtescholen
van staatswege nimmer aan de praktijk heeft willen of kunnen
toetsen. Hoe concreet Groen ook telkens genoemd doel op
schoolgebied naar voren schoof, de uitwerking in détail
werd pijnlijk gemist. Hij liet nu eenmaal na, de bruikbaarheid en
uitvoerbaarheid van zijn project te bewijzen.
Dat hij op dit standpunt, dat in 1857 in de eigenlijke zin van
het woord een overwonnen standpunt bleek, niet is blijven staan,
is anderzijds een voldoend getuigenis van zijn staatsmansinzicht.
De vrije school nam de plaats in van de gezindteschool, al keerde
hij kort voor zijn dood weer tot zijn oorspronkelijk idee terug.
Waaruit blijkt, dat voor Groen het middel bijzaak is geweest en
dat zijn strijdmethodes zich voortdurend aanpasten bij de
wisselende omstandigheden 44).
De vraag, wat Groen in de weg gestaan heeft om een all round
staatsman te worden in de gewone zin van het woord, heeft
natuurlijk ook Lohman zich gesteld. Hij kwam bij de beantwoording
tot de conclusie, dat Groen's gedachten èn door vorm
èn door inhoud voor popularisering ten enenmale ongeschikt
zijn geweest. Groen miste, volgens Lohman, de gave voel- en
tastbaar te maken wat hij zeide en zag; daarvoor was hij te veel
studieman en kamergeleerde 45).
Dat heeft Groen zelf voldoende beseft. "De benijdenswaardige gave
van echt populair schrijven viel mij niet te
beurt" verzuchtte hij eens 46). Ook de inhoud
van zijn ideeën was vaak van die aard, dat deze moeilijk de
grote massa konden activeren. Stichter van een volkspartij werd
hij nimmer! Bij alle waardering, die Lohman voor Groen koesterde
en meermalen openlijk uitsprak, ontbrak toch het kritisch element
in zijn oordeel niet. Blindelings volgen lag trouwens weinig in
zijn aard. Hij zou evenwel de laatste geweest zijn om Groen
daarover hard te vallen.
Zo verschilden, zoals bekend is, beider inzichten omtrent de
verhouding van kerk en staat. Groen, die aanvankelijk in principe
de band tussen kerk en staat voorstond en de scheiding van kerk
en staat slechts als geboden door de feitelijke situatie
aanvaardde 47), was hierin niet homogeen met
Lohman, die op scheiding aandrong. Een verschil van visie, dat
Lohman op rekening stelde van het feit, dat ook daarin Groen een
kind van zijn tijd was. "Laat ons, die thans zien wat Groen reeds
in 1830 doorzag, niet menen scherper te zien dan hij, omdat wij
duidelijker onderscheiden. Wij staan alleen wat dichter bij"
48). Soortgelijke getemperde kritiek spreekt
uit de beschouwingen, die hij wijdde aan de wijziging in Groen's
standpunt ten opzichte van het afstemmen der begroting 49).
Lohman is immer tegenover Groen in eerbiedige houding blijven
staan. Voor hem was Groen de strijder, die hem de ogen voor het
ideële van de schoolstrijd had doen opengaan; de auteur, aan
wiens geschriften hij zich jarenlang had kunnen laven, welke
geschriften zijn kennis hadden verrijkt en zijn geloofsleven
hadden verdiept; de gelovige christen, die hem naar Vinet
verwezen had waardoor hij de geloofscrisis die hij als
ouderejaarsstudent doormaakte, te boven gekomen was; de oudere
vriend, die hem uit zijn bescheiden positie naar voren had
trachten te halen en hem had weten te bewegen om door een
wetenschappelijke publicatie aan de antirevolutionaire beginselen
meer bekendheid te geven.
Met Groen, de echte volksman met aristocratische inslag, de
eenvoudige christen van voorname allure, voelde hij zich
congeniaal. Hij had onverholen bewondering voor de historische
aanvat, welke aan Groen's staatkundige gedachten breder
vleugelslag verleende en begroette in hem een aanhanger van de
historische rechtsschool.
De beginselen van Groen had hij tot de zijne pogen te maken;
daaraan trouw te blijven, ook al volgde men diens tactiek niet,
was zijn leuze. Andere toestanden mochten tot een gewijzigde
gedragslijn leiden, doch "beter of consekwenter antirevolutionair
dan hij" begeerde Lohman niet te zijn 50). De
jurist die Groen was trok hem meer aan dan de theoloog Kuyper en
de Politieke consequenties, die uit deze tegenstelling te trekken
waren, brachten hem dichter bij den eerste dan bij den
laatste.
Lohman heeft eens ter aanduiding van het verschil tussen de
staatsman en de theoloog een tekenend beeld gebruikt: het leiden
van de groote stroom, hetgeen eens staatsmans is, is een andere
werkzaamheid dan hetgeen de theoloog te doen staat n.l. het
zuiver houden van een der beken, die de stroom voedt. Wie Lohman
vinden wil zoeke niet bij de beek, doch bij de stroom!
1)
V.g.l. Mr T. de Vries: Mr G Groen van Prinsterer in Zijne
omgeving. bladz. 67.
2) Zie Groen v. Prinsterer: Handboek der
geschiedenis van het vaderland § 86. De betrokken zinsnede
luidt: "In Amsterdam dagteekent vrijlating reeds van 1641;
Godsdienstoefening weldra in 22 Kerken".
3) Brief Lohman aan Groen, 14 April 1872, Het
Groen-archief berust op het Alg. Rijksarchief te
's-Gravenhage.
4) Groen wil het gebruikte woord "weldra" cum
grano salis zien opgevat; "van lieverlede" had hij misschien
beter kunnen schrijven en het lijkt hem wenselijk over het
woordje "weldra" geen discussie te provoceeren.
5) Brief Lohman aan Groen, 21 April 1872.
6) De Kulturkampf, waarbij Bismarck zich plaatste
tegenover de R K. Kerk. Lohman meende dat het optreden tegen de
R. K. kerk niet, althans niet alleen, mocht worden toegeschreven
aan de orthodoxe protestanten.
7) Thorbecke zelf beschouwde de opvatting van het
Christendom als hèt verschil tusschen zich en Groen. Hij
sprak van het Christendom "als van een algemeen levenselement
onzer tegenwoordige maatschappij, gelijk aan de lucht die wij
ademen". Deze opvatting beheerste ook Thorbecke's visie op de
schoolkwestie in die dagen. (Zie Dr I. J. Brugmans: Thorbecke
(V.U.B. uitg., 1932), bladz. 178 vlgg.).
8) De kwestie was actueel door het in bezit nemen
van Rome door de Italiaanse troepen en de inlijving bij het
Koninkrijk Italië (1870).
9) Brief Lohman aan Groen, 1 Februari 1874.
10) Idem, 15 Juli 1874. Zie verder hoofdstuk
"Jaren van voorbereiding".
11) Dit valt op te maken uit een brief van
Lohman aan Groen d.d. 29 Mei 1874.
12) Brief Groen aan Lohman, 11 December
1874.
13) V.g.l. Brief Lohman aan Groen, 12 December
1874.
14) Brief Groen aan Lohman, 25 Februari
1875.
15) V.g.l. Briefwisseling Groen-Kuyper (uitg.
Goslinga) bladz. 333; zie ook bladz. 335, noot 2, waar blijkt dat
Kuyper niettemin bezwaren had.
16) Brief Lohman aan Groen, 26 Februari
1875.
17) Maurice et Barneveldt (1875).
18) Uitvoerig hierover Dr G. M. den Hartogh:
Groen van Prinsterer en de verkiezingen van 1871 (1933); v.g.l.
Mr D. P. D. Fabius: Voorheen en thans, bladz. 120.
19) Brief Lohman aan Groen, 15 Mei 1875.
20) Dagblad van Zuid-Holland en 's-Gravenhage,
14 Mei-18 Mei 1875. Lohman bewijst daarin de billijkheid, de
uitvoerbaarheid en de grondwettigheid van het restitutiestelsel,
volgens hetwelk het bedrag, dat tengevolge van de stichting een
bijzondere school op het openbaar onderwijs wordt uitgespaard,
aan de bijzondere school wordt uitbetaald of gerestitueerd.
21) Brief Groen aan Lohman, 15 Juni 1875.
22) Idem, 20 Juni 1875.
23) Idem, 23 Juni 1875.
24) Brief Lohman aan Groen, 22 Juni 1875.
25) Brief Lohman aan Groen, 17 Maart 1875; id.
26 Sept. 1873 en 8 Febr. 1876.
26) V.g.l. Diepenhorst: Groen van Prinsterer,
bladz. 150.
27) Brief Lohman aan Groen, 7 Januari
1876.
28) Brief Groen aan Lohman, 8 Januari
1876.
29) Ds G. Doedes (1845-1876) overleed op 31
Januari 1876, nadat hij nog op 16 Januari tweemaal gepreekt en op
23 Januari de doop bediend had (v.g.l. de Bie - Loosjes:
Biografisch woordenboek van Protestantsche godgeleerden in
Nederland, deel II, bladz. 516).
30) Brief Lohman aan Groen, 22 Maart 1876.
31) De artikelen gaf hij nog in hetzelfde jaar
in brochurevorm uit onder de titel "De school waaraan de natie
gehecht is."
32) Brief Lohman aan Groen, 14 Maart 1876.
33) V.g.l. brieven Groen aan Lohman d.d. 18
Februari, 21 Februari, 15 Maart, 16 Maart 1876. Excerpten uit
deze brieven in Lohman's Bijdr. tot de gesch. der CH. Unie, deel
1, bladz. 305-306.
34) Brief Lohman aan Groen, 27 Februari en 22
Maart 1876.
35) Idem, 21 April 1876.
36) Brief Lohman aan J. H. Gunning (Jan. 1884).
Dat Groen inderdaad open stond voor het denkbeeld eener vrije
universiteit blijkt op bladz. 314 van "Schrift en Historie"
(Gedenkboek der a.r. partij). Voor Groen's inzicht in de
verhouding van geloof en wetenschap zie Dr Fokkema: De
godsdienstig-wijsgeerige beginselen van Groen van Prinsterer,
bladz. 178.
37) Van Malsen: Alexander Frederik de Savornin
Lohman (1924), bladz. 77. Zie voor Groen's houding het gedenkboek
De Reformatie van 1886, bladz. 32 vlgg.
38) W. van Itallie-van Embden: Sprekende
Portretten, bladz. 8.
39) De Scheidslijn (1922), bladz. 83.
40) Rede Tweede Kamer, 3 december 1885; idem, 11
Mei 1881, 18 Maart 1886, 1 en 9 april 1886.
41) Zie bijdr. tot de gesch. der CH. Unie, deel
1, bladz. 324.
42) Zie Groen van Prinsterer: Nederlandsche
Gedachten, 1869, bladz. 10.
43) De Nederlander, 24 September 1900.
44)44 "Groen van Prinsterer en de neutrale
school" (in manuscr., z.j.); De Nederlander, 3 October
1916.
45)45 Brief Lohman aan Fabius, 16 November
1876.
46)46 Groen van Prinsterer: Aan de kiezers. III,
bladz. 12 (8 Juni 1864).
47)47 Een oriënterend art, daarover schreef
Ds Mr G. M. den Hartogh in A.R. Staatkunde, deel IX, bladz. 241
vlgg.
48)48 Brief Lohman aan Fabius, 16 November
1876.
49)49 De Savornin Lohman: Verzamelde Opstellen,
Staatsrecht, I, bladz. 185 vlgg.; v.g.l. over Groen's houding in
deze kwestie o.a. zijn Ongeloof en Revolutie (uitg. v. Malsen),
bladz. 493-95 en het gedenkboek "Schrift en Historie". bladz.
87-88.
50) Bijdr. tot de gesch. der CH. Unie, deel 1,
bladz. 314.