printer

INLEIDING

Het onderwerp dezer Voorlezingen is het betoog, dat sedert de opkomst der Revolutie-begrippen, de oorzaak der gebeurtenissen in de natuurlijke ontwikkeling dezer heilloze denkbeelden ligt.
Billijkerwijs verlangt Gij dat ik u omtrent keus, aard, nut en bestek van dit veelomvattend onderwerp opheldering geef.

1. De keus. - Zij was, onder voltooiing van het Handboek der Geschiedenis van het Vaderland, het gevolg der overweging van hetgeen sedert 1795 tot op onze dagen in Nederland gebeurd is. Met uitzondering van ogenblikken, waarin de hoop op een betere toekomst zich opdeed, was er een onmiskenbaar en somwijlen levendig besef van vernedering en achteruitgang.
Wanneer wij in de stoffelijke belangen op de onbeduidendheid van den Staat, op de beperktheid van den handel, op de bezwaren der nijverrheid, op het verbazend aantal behoeftigen letten, overal is er een met voormaligen bloei en luister bedroevend contrast.
De verachtering geldt niet enkel stoffelijke welvaart. In de politieke vormen, waarbij men zich heilrijke vereniging van gezag en vrijheid ten doel gesteld heeft, treedt een lange reeks van proefnemingen te voorrschijn, niet slechts alle mislukt, maar die telkens levendiger het gevoel hebben achtergelaten, dat de kracht der staatsregelingen zich meer in desorganiseren dan in regelen van den Staat openbaart.
Deze wanorde strekt zich tot het gehele weefsel der maatschappelijke samenleving uit. Ik wijs u op het te niet gaan van de verscheidenheid der Stenden, gelijk zij op verkregen rechten en op den aard der gezellige ontwikkeling gebouwd was; op de nadelen der onbeperkte concurrentie; op de wegneming der banden van liefde en onderwerping uit associatie-geest en plichtbesef; op den bijkans onwederstaanbaren invloed der grote kapitalisten; op den gedurig meer dreigenden toestand van het armwezen. Reeds dit oppervlakkig overzicht wijst naar het aanzijn ener algemene oorzaak van maatschappelijk bederf.
Maar, zegt ge, de ondervinding is wellicht de beste leermeesteres geweest, en hee£t ons, langs een moeilijken weg, naar de deugdelijkheid gebracht ener theorie, welke aan overleg en ervaring ontleend, het onbedriegelijke richtsnoer wordt voor betere praktijk. Is dit zo? Werd er uit zoveel nadeel althans dit voordeel getrokken, dat de wetenschap van het staatsrecht in ontwikkeling en vastheid heeft gewonnen? Het tegendeel is waar. Nooit wellicht was ieder vraagstuk zozeer en bij toeneming aan ongewisheid ten prooi; nooit heeft het twijfelen in de wetenschap zulk een weifelen in het handelen ten gevolge gehad. Onvermogend, naar vasten regel of welberaamd ontwerp den Staat te besturen, acht men zich gelukkig, bij den dag levende, te verrichten, waartoe men telkenmale door den loop der gebeurtenissen, willens of onwillens, geleid wordt. Nooit is in gelijke mate afkeer van alle theorieen, ten gevolge der bedriegelijkheid van vele theorieen, ontstaan.
Dezelfde twijfelzucht is zichtbaar in de grondslagen van Godsdienst, zedelijkheid en recht. De meeste verdeeldheid van begrippen: alles subjectief en individueel. Ieder heeft eigen geloof, eigen mening, bij velen zo wankelbaar dat zij, in eigen verstand en hart, bij het veranderen der omstandigheden en wisseling van jaar en dag, telkens door een andere, even ras voorbijgaande mening afgewisseld wordt. Wij hebben niet een kerkgeloof, niet enige godsdienstige gezindten, maar, onder de bijkans algemene benaming van christelijke belijdenis, een ontelbare menigte van opvattingen omtrent God en Zijn Woord. Niet door vermeerderende overeenstemming, door afnemende belangstelling, vermindert somwijlen de hevigheid van den strijd. Overdrijf ik misschien? Oordeelt zelf. Wanneer wij achteruit staren, wat dunkt u van de schreden, op de baan der volmaaktheid afgelegd? Verheugen we ons over nijverheid en handel? Zijn we omtrent het financie-wezen onbezorgd? Speelt Nederland op het toneel van Europa een glanssrijke, een eervolle rol? Hebben wij, door Grondwet en Bestuur, een duurzaam verbond van vrijheid en orde getroffen? Mogen we ons verblijden, dat Overheid en onderdanen door de liefelijke banden van wederzijds vertrouwen en genegenheid samengestrengeld zijn? Is er reden om zich te beroemen over de wijs, waarop de staats-inrichting ten waarborg en ter bevordering van de rechten der godsdienst, der zedelijkheid, en der wetenschap verstrekt? Gevoelen wij, dat aan de krachten der natie die ongestoorde werking verleend wordt, zonder welke de staat een lichaam zonder ziel is? Streeft het gouvernement met regelmatigen voortgang naar een welgekozen doel? Lost verscheidenheid der inzichten zich in hoger overeenstemming op? Is de veelzijdigheid in mening met eennheid van grondstellingen gepaard?
Doch ik wil, bij een onderwerp zo ernstig, zelfs in den toon al wat naar ironie zweemt, vermijden. Liever vraag ik: van waar die achteruitgang, die wanorde, dit algemeen verval? - Wijt gij het aan de regerings-vormen? Wij hebben alle soorten gehad; democratie, aristocratie, eenhoofdig bestuur, despotisme, constitutioneel bewind: de ganse voorraadschuur der revolutionaire gouvernementen heeft ons ten dienste gestaan. - Aan de omstandigheden? Ze zijn niet altijd ongunstig geweest. Aan de verbastering van het Volk? Dit was niet zo diep gevaIlen, dat er geen opbeuring mogelijk was. Ontbrak het aan mannen van bekwaammheid en energie? Er zijn staatslieden geweest, aan wie ik althans talent en karakter, evenmin als goede bedoeling, ontzeg; zodat we des te meer gedrongen worden naar de reden te zoeken, waardoor ook hun wijsheid bedrogen en hun veerkracht verlamd werd.
Alles wijst dus op een algemene oorzaak, aan wier invloed staatsvormen en omstandigheden en volkskarakter en handelende personen ondergeschikt zijn geweest. Deze moet gezocht worden in de begrippen, welke den boventoon gehad hebben.
"Het dient gezegd te worden, want men zal het nooit genoeg beseffen: alles vloeit voort uit de leerstellingen: de zeden, de letterkunde, de constituties, de wetten, het geluk en de rampen der staten, de barbaarsheid en de verschrikkelijke crises, die de volken meesleuren of hen verrnieuwen, al naar gelang hun meer of minder levenskracht rest" 1).
De gebeurtenissen zijn de omtrekken en vormen, waarin de gestadige werking van den tijdgeest zich openbaart. Dit verlang ik in den loop der revolutie-tijden, ook buiten ons land, te doen opmerken. De geschiedenis van Europa, sedert meer dan een halve eeuw, is het onvermijdelijk gevolg der dwalingen, die zich van de heersende denkwijs meester hebben geemaakt.

2. Om van den aard van dit onderwerp te doen blijken, is het nodig te verklaren, wat ik door REVOLUTIE en revolutiebegrippen versta. Met Revolutie bedoel ik, niet een der menigvuldige gebeurtenissen, waardoor verplaatsing van het openbaar gezag te weeg gebracht wordt; niet enkel den omwentelingsstorm, welke in Frankrijk gewoed heeft; maar de omkering van denkwijs en gezindheid, in geheel de Christenheid openbaar. Met revolutie-begrippen heb ik het oog op de grondstellingen van vrijheid en gelijkheid, volkssouvereiniteit, maatschappelijk verdrag, conventioonele herschepping, welke men als de hoekstenen van staatsrecht en staatsgebouw vereert 2)
. De overtuiging dat de menigvuldige onheilen, die onze Vaderen en die wij beleefd hebben, uit deze wijsheid en uit haar bron, verwerping van het Evangelie, gevloeid zijn, is, uit verse aanschouwing van den loop der gebeurtenissen, in mij versterkt. Opnieuw heb ik gezien hoe men, waar deze theorieën post gevat hebben, in een cirkel van ellende ronddgevoerd wordt.
Door strenge toepassing der Revolutie-leer wordt men, in stelselmatige getrouwheid, tot de meest buitensporige ongerijmdheden en tot de ergste gruwelen geleid. Wanneer men daarentegen, uit schrik voor revolutionaire ontwikkeling, die men voor overdrijving houdt, zonder af te zien van het beginsel, matiging der praktijk begeert, vervalt men, terugdeinzend voor de gevolgen zijner overtuiging, in een weifeling en willekeur, die geen richtsnoer dan in den loop en drang der omstandigheden heeft. Zodanig is wat men, nog in onze dagen, als diepe staatkundige wijsheid, vermeldt: het overleg der doctrinairen, het systeem, dat, onder den naam van juste-milieu, thans heersehappij voert, de theorie der conservatieven, en het stelsel of, indien ik naar waarheid spreken moet, de routine, de slapheid en slaperigheid, de sleur, die ook in ons Vaderland de overhand heeft.
De gevolgen der revolutie-begrippen kunnen met vrucht bestreden worden, alleen wanneer men zich, buiten hun invloed, op het terrein der anti-revolutionaire beginselen stelt. Dit terrein is onbereikbaar, zolang men niet erkent dat de grondslag van het recht in de wet en ordening Gods ligt. De Bonald heeft deze waarheid uitgedrukt, met beknoptheid en diepen zin: "De Revolutie is begonnen met de verklaring van de rechten van den mens, zij zal pas eindigen door de verklaring van de rechten Gods". 3)

3. Het nut mijner stof valt in het oog. - Zij raakt den hartader der geschillen in godsdienst en politiek. De revolutiebegrippen zijn de toepassing van het ongeloof op het staatsrecht. Er is tussen het Evangelie en deze praktikale ongodisterij een strijd op leven en dood, waarbij het denkbeeld van toenadering ongerijmd wordt, en die al wat ons heilig en dierbaar, al wat voor Kerk en Staat nuttig en onmisbaar is, omvat.
Bij de vermelding der belangrijkheid van het onderwerp beweer ik niet, dat beter inzicht in het karakter van onzen tijd nuttig of aangenaam kan zijn voor den zelfzuchtige, voor den kleingeestigen egoïst. Integendeel. Immers de zegepraal der beginsels, die ik aanprijs, is niet spoedig te verwachten. De dwalingen, die ik bestrijd, zijn krachtig genoeg om, zelfs nadat ze op het veld der wetenschap zijn overwonnen, geruimen tijd op het gebied der praktijk de overmacht te behouden.
Kennis der waarheid is, voor wie geen offers aan de waarheid verlangt te brengen, een last. De kennis, welke de verantwoordelijkheid verhoogt, is niet begeerlijk voor hen, wien het om eer of voordeel, om toejuiching van tijdgenoten te doen is. Het levenslot van de meesten uwer is genoeg gevestigd, om hen over de mogelijke gevolgen ener oprechte belijdenis onbezorgd te doen zijn; maar indien een jongeling, bij het nauwelijks intreden zijner politieke loopbaan, zich tot mij vervoegde om in het antirevolutionaire staatsrecht onderricht te ontvangen, ik zou aarzelen wat te doen. Ik zou althans trachten hem vooraf tot zelfonderzoek te brengen. Ik zou hem vragen: hebt gij de kosten berekend? Zijt ge tot zelfverloochening gereed? Zo niet, ik zou geen moed hebben, hem nutteloze wroeging te bereiden. Doch mocht ik in hem een edeler geest ontwaren, een niet dagelijksen maatstaf van geluk en eer, ik zou hem toeroepen: laat niets u terughouden; voor u heeft de waarheid voorrechten en genoegens, waardoor het te loor gaan van elke verwachting overvloedig zal worden vergoed!
De belangrijkheid van het onderwerp valt te meer in het oog, naarmate het ons, als Nederlanders en als Christenen, om plichtsvervulling te doen is. Als Nederlanders. - Er is, helaas! weinig vaderlandsliefde. Het denkbeeld van vaderland, in hogeren zin, is bijkans verloren gegaan. Gij evenwel, ik twijfel er niet aan, kent en waardeert de eigenaardige trekken van het volkskarakter. Gij zijt niet los van de herinneringen, wier dierbaarheid en roem de nakomelingen aan het voorgeslacht en de inwoners dezer landen aan een der meest gezegende plekken van den aardbodem verbindt. Gij kent onze tegenwoordige gesteldheid. Gij keurt roekeloze pogingen ter omverwerping van het staatsgebouw af, doch acht niet de volmaaktheid bereikbaar door het zeer geringe overblijfsel van leven in onze constitutionele instellingen te verstikken.
Indien onze vluchtige blik op het vaderland een vaderlandlievende blik geweest is, zullen we ons afvragen, wat we, bij het levendig besef van dezen toestand, behoren te verrichten. Is het raadzaam, zich in bespiegelingen over velerlei punten, in wijzigingen van de Grondwet misschien, te verdiepen, zich in het praktikale strijdgewoel te werpen, om het naleven der meningen, die wij voor schadelijk houden, te beletten? Voorzeker dit kan, nu of in het vervolg, nuttig en plichtmatig zijn. Maar boven dit alles is nodig, niet alleen de uitgestrektheid te weten, maar vooral den wortel en de vertakkingen van het kwaad; opdat wij, met het bederf, het geneesmiddel erkennen; opdat we, in de onbedriegelijkheid ener gelovige wetenschap, de vastheid erlangen om, bij den wind van allerlei lering, onbewogen te blijven en in het verdedigen der waarheid ons niet schuldig te maken aan dat onzekere geluid der bazuin, waardoor ook een waarachtig getuigenis, omdat de getuige zelf half overtuigd is, dikwerf krachteloos wordt. - De meest welgemeende pogingen dragen geen vrueht, zolang de verwantsehap der gebreken van den Staat met verderfelijke theorieën niet in het oog valt. Zonder eerbiediging der beginselen, welke de menselijke waanwijsheid versmaadt, is elke toeleg om te hervormen aan overpleistering der graven gelijk.
Voor ons, ook als Christenen, is het van belang, met de natuur en richting van het staatsreeht onzer dagen niet onbekend te zijn.
Eén ding, ik weet en belijd het, één ding is nodig voor allen. Niet als staatslieden of geleerden, als zondaars wensen wij zalig te worden. Eén weg, één waarheid is er. Ik vind de rust en den vrede mijner ziel in de blijde boodschap, dat er in het schuldvoldoenend offer van den Zaligmaker, uit vrije genade, vergeving en zaligheid is voor een iegelijk, die gelooft. Ik wiI op generlei wijs den smaad dezer belijdenis ontgaan. Algemene vermelding van ehristeIijke beginselen is onbestemd genoeg om geen noemenswaardigen tegenstand te wekken. In verband met de Geschiedenis en het Staatsrecht daarvan gewag te maken, stelt, zolang men zich van het ondubbelzinnig preciseren ener felbestreden overtuiging onthoudt, aan geen verwijt of vermoeden van bekrompenheid bloot. Even daarom wens ik, aan den in gang dezer Voorlezingen, te herhalen, dat ik de waarheden bedoel, in de Heilige Schrift opgetekend en door den Heiligen Geest in het hart van den meest eenvoudigen Christen geprent. Vasthouding aan de waarheid eist vasthouding aan de plichten, naar elks bijzondere standplaats en betrekking opgelegd. Ons, mijn vrienden! voor zover wij rechtstreeks of zijdelings, door daad of gesprek, invloed op den gang der staatsaangelegenheden of op de richting der gemoederen hebben; ons voegt het, dankbaar bij het licht van Gods Woord, in de schuilhoeken der wetenschap en in den doolhof der gebeurtenissen te dringen; om ook in deze Zijn werken den Heer te bewonderen en te aanbidden; om ook alzo verkondigers van een in elken kring zegenrijk Evangelie te zijn .
Eén ding is nodig. Maar wanneer wij dat ene bezitten, moet de vrucht er van openbaar zijn in alles. Wij willen, wat de behoudenis der zielen betreft, niets weten dan Christus en dien gekruist. Maar indien wij dit weten, moet die wetensehap der liefde van Christus ons, ter verheerlijking Gods, overal waar Hij kan worden verheerlijkt, opwekken en dringen. Tot prediking van het Evangelie is ieder, aan wien het bekend gemaakt is, geroepen; want die verkondiging aan aIle creaturen kan plaats hebben op velerlei wijs. Geen middel mag verwaarloosd worden, dat tot verstand en gemoed den weg baant.
Men kan voorzeker, zonder bekering des harten, dwepen met de Wonderen Gods in de schepping en onderhouding der natuur, in de wisselingen en uitkomsten van Zijn wereldbestier, en zo wij het doen - Hij zelf beware ons daarvoor! - het zou ter verzwaring onzer schuld strekkken. Doch het is, zo wij den Heer in het Rijk der genade kennen, dubbel onverantwoordelijk, Hem te miskennen in de gangen van Zijn voorzienig opperbeheer, en daarin de tekenen Zijner almacht en liefde, de wonderen Zijner weldaden en Zijner gerichten met koele onverschilligheid voorbij te willen gaan.
De Hemelen vertellen Gods eer. Zou het niet insgelijks een verhaal der ere Gods zijn, wanneer de geschiedenis van het revolutionaire tijdperk aanwijst, dat verlaten van Zijn Woord genoeg is om den afvalligen mens, wien het noch aan schranderheid en vernuft, noch aan begunstiging der omstandigheden ontbreekt, in een afgrond van ellende te werpen? Zou het geen voorbereiding zijn voor den wijsgeer dezer eeuw, om het trotse hoofd voor het zegenend Evangelie te buigen, wanneer hem, in de aaneenschakeling van onbetwistbare feiten, de duisternis zijner verlichting en de dwaasheid zijner wijsheid getoond wordt? Ook dit getuigenis mag evangelie-belijden, ook dit mag evangelie-prediken worden genoemd.
De Christen zou ten onrechte menen, dat hij, met het richtsnoer der Heilige Schrift, de wetenschap niet behoeft. Om met ijver en nauwgezettheid in elke hem aangewezen betrekking werkzaam te zijn, moet ook hij nauwkeurige bekendheid bezitten van den aard en het werk zijner eigen taak. De vreze des Heren is het beginsel der wetenschap; maar het beginsel is de gehele wetenschap niet. Deze wordt gevormd ook uit de overige bestanddelen, waarin zich het beginsel belichaamt. De evangelische waarheid is de zuurdesem. 0 ja, maar om het voedzame en smakelijke brood te verkrijgen, moet er bij den zuurdesem deeg zijn. Het deeg der wetenschap is nodig, zo men prijs op degelijkheid stelt.
Onze traagheid zoeke geen bedriegelijk voorwendsel in de algenoegzaamheid van Gods Woord. Men zou aldus tot een soort van godverzoeken worden verleid. Meent iemand, dat hij in vraagpunten van staatsrecht, met de dagelijkse praktijk in verband, door een christelijk instinct voor het goed noemen van het kwade, voor het kwaad noemen van het goede, zal worden bewaard? Ik betwijfel de rechtmatigheid van dit vertrouwen. Ik wijs op godvruchtige mannen, als Lavater, Klopstock, Stilling, P. L. van de Kasteele, welke hun oprecht en levendig geloof niet behoed heeft om, bij de algemene bedwelming, het begin der Franse revolutie als dageraad ener gulden eeuw te begroeten. Ik wijs hem op sommige van onze Protestantse vrienden in Zwitserland en Frankrijk, die zoveel goeds schrijven en verrichten, en echter, door onbekendheid met historie en staatsrecht, op politiek terrein meningen voorstaan van nadelige en gevaarvolle strekking. Ik zou op hedendaagse voorbeelden, ook hier te lande, kunnen wijzen; op verwarring van begrippen omtrent Kerk en Staat, uit gebrek aan kunde, niet aan geloof. Op misbruik, of der les: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan aan de mensen", of der evenzeer apostolische vermaning: "Alle ziel zij den Machten over haar gesteld onderworpen"; zodat men of door de theorieën ener valse vrijheid medegesleept wordt, of in een lijdelijkheid vervalt, schadelijk voor de rechten der ingezetenen niet alleen, maar ook voor de vastheid van het openbaar gezag, en die in genen dele naar christelijke onderwerping gelijkt.
Wanneer het alle en om ministeriële verantwoordelijkheid, of rechttstreekse verkiezingen, of soortgelijke, zo het heet, overdierbare steunselen der burgerlijke vrijheid te doen ware, kon weIlicht de Christen, zonder plichtverzuim, onbezorgd zijn; doch hier is meer dan dit, hier is al wat den Christen ter harte behoort te gaan, op het spel. Het geldt de bestrijding van begrippen, wier noodlottige werking zich tot de heiligste belangen uitstrekt. Dat de Kerk van den Staat gescheurd is om aan den Staat overgeleverd te zijn; dat de Staat zich gerechtigd keurt het christeelijk onderwijs, door de inrichting der volksschool en door het weren, zoveel mogelijk, van hetgeen in anderen zin beproefd wordt, te belemmeeren, zo niet te beletten; dat de bescherming der gezindten in bescherming van het opgedrongen bestuur eens kerkgenootschaps, met verdrukking der gezindte zelve, ontaardt; dat de Kerk van Rome de grondwettige gelijkstelling tot het vestigen ener dreigende overmacht misbruikt; dat vrije en volledige verkondiging der waarheid bijkans als rustverstoring aangemerkt wordt; dat er aan de gemeenschappelijke behartiging der heiligste aangelegenheden veelsoortige bezwaren in den weg worden gelegd; dat, waar het Evangelie zich levendig en krachtvol betoont, tegenstand en vervolging, ook om der godsdienst wil, onder de plichten der nieuwerwetse staatkunde behoort; dit en zoveel meer, ten gevolge waarvan bij een Volk, boven vele Natiën met den zegen der zaligmakende waarheid begunstigd, deze waarheid niet dan zeer voorwaardelijk het genadebetoon ener algemene verdraagzaamheid geniet: waaraan, vraag ik, is het te wijten? Waaraan anders, dan aan de heerschappij van dwalingen en van vooroordelen omtrent natuur en doel en regeling van den Staat, die ook hier, onder schaduw van het ongeloof, als een wortel der bitterheid beroering makende, opgeschoten zijn!
Geen hevig beklag dus over de mensen; van velen geldt: "zij weten niet wat zij doen". Des te meer is het plicht, den aard en de onvermijdelijke gevolgen der begrippen door opzettelijke bestudering te kennen; om zich onbevlekt te bewaren van de wereld; om, waar het nodig is, te strijden met de wapenen des lichts; om ons en anderen waarschuwend te doen opmerken, dat naleving der beginsels, aan de revolutionaire staatsregelingen ten grondslag gelegd, tot miskenning en ter zijdestelling van hoger verordeningen verleidt.
De Revolutie, in verband tot de wereldhistorie, is in omgekeerden zin wat de Hervorming voor de Christenheid geweest is. Gelijk deze Europa uit het bijgeloof gered heeft, zo heeft de Omwenteling de beschaafde wereld in den afgrond van het ongeloof geworpen. Gelijk de Reformatie, strekt de Revolutie zich over elk gebied van praktijk en wetensehap uit. Toen was onderwerping aan God, thans is opstand tegen God het beginsel. 4) Daarom is er ook thans in de Kerk, in den Staat, in de wetennschap, een algemene, een heilige strijd; over de ene grote vraag omtrent onvoorwaardelijke onderwerping aan de wet Gods. De besehouwing der Revolutie uit dit oogpunt is, meer dan ooit, een vereiste om onzen leeftijd te verstaan.

4. Nog een enkel woord over ontwerp en bestek.
Het revolutie-tijdperk, met lotswisselingen en rampen, is de vrucht der revolutie-begrippen.
Het eerste gedeelte van mijn betoog is negatief. Europa, zegt men, was voor het opkomen der nieuwe wijsbegeerte aan sehromelijke wanbegrippen ten prooi. De staatsregelingen waren een samenweefsel van zonderlinge herkomsten, en het dikwerf aangematigd gezag aldus een plaag voor de volken. Verkeerdheden van allerlei aard deden uitzien en smachten naar volledige zuivering der maatsehappij; zodat, uit onmogelijkheid van hervorming, omwenteling losbrak.
Niet alzo! Noch uit de beginsels ener vroegere orde van zaken, noch uit de vormen, waarin deze grondwaarheden zich hebben ontwikkeld, noch uit de ingeslopen misbruiken, kan het raadsel van onzen steeds revolutionairen toestand worden verklaard.
Het stellig bewijs wordt aan theorie en geschiedenis ontleend.
Eerst wijs ik op de leer, op haar oorsprong en vorming, om u, reeds in het beginsel,de onvermijdelijkheid van den loop der revolutie te doen erkennen.
Daarna neem ik de geschiedenis bij de hand, en toon, in de lotwisselingen der Staten, dat de werking der revolutiebegrippen met den eis der logica overeenkomt. - Gelijk uit den boom de vrucht, zal uit de vrucht de boom worden gekend.
Eigenlijk is het gehele betoog historisch. Verhaal van wat er geleerd, en dientengevolge gebeurd is. Om de theorieën te ontzenuwen en te wederleggen is het genoeg, ze in aard en werking te beschrijven. In het lichtstelling van de feiten; ook van wat in de wereld der geesten voorvalt; ook van de denkbeelden en beginsels, waaruit al het overige voortvloeit, zelve feiten van den hoogsten rang. "Onze geest werkt met feiten, feiten zijn zijn enig materiaal, en wanneer hij de algemene wetten ontdekt, die hen beheersen, zijn ook die wetten zelf feiten, die hij waarneemt ....
Het verstand kan door de feiten, die het bestudeert, overstelpt worden; het kan er zich door laten neerhalen, verengen, verstoffelijken. Het kan menen, dat er geen andere feiten zijn dan die, welke terstond in het oog vallen, die ons van nabij treffen, die, zoals men zegt, onder onze zinnen vallen. Dit is een grote en grove dwaling. Er bestaan allerminst voorhand liggende, onmetelijk grote, duistere en verheven feiten, die zeer moeilijk te achterhalen, waar te nemen en te beschrijven zijn, maar die daarom niet minder feiten zijn, welke de mens dient te bestuderen en te kennen. En indien hij ze miskent of ze vergeet, zal zijn denken daardoor op een ontzettend laag peil komen en al zijn gedachten zullen het stempel van deze verlaging dragen" 5).
Mag ik hier bijvoegen, wat ik van U verlang?
Ruime toegeeflijkheid, ook vriendelijke tegenspraak en terechtwijzing voor uw medeleerling. De geschiedenis alleen is leermeesteres. Bij haar ter schole te gaan is altijd en voor allen goed.
Laat ons allen, voor zo ver wij in Christus ons vertrouwen gesteld hebben, gedachtig blijven aan hetgeen van Christenen geëist wordt. De grondtrekken der heersende gemoedsstemming zijn ongewisheid en twijfelarij, moedeloosheid, vadzige onverschilligheid, lijdelijke of baatzuchtige berusting. De Christen kent een beginsel, dat vastheid aan de wetenschap geeft; dat, opgevolgd, genoegzaam zijn zou om de wankelende staatsgebouwen op onwrikbaar fundament te herstellen. Het is hem niet geoorloofd, in de verdediging van recht en waarheid te verslappen, omdat zijn eigenbelang geen schade lijdt. Zwaar zijn de plichten, die de duisternis en het bederf der tijden aan hen, die het licht en het zout der aarde genoemd worden, oplegt.

Dit plichtsbesef verdubbelt, ook om de gunstige verschijnselen van onzen tijd. Het bevreemdt u immers niet, dat ik van gunstige verschijnselen gewaag? Of is het, vergelijkenderwijs met wat de Vaderen hebben beleefd, weinig, een tijdperk achter ons te hebben, rijker wellicht dan enig ander in tastbare proeven der machteloosheid van den hooghartigen mens! Een tijdperk, dat met opgeblazenheid der beloften aanving en waarin zich, aan het einde, volledigheid der teleurstelling in angstvallig huiveren voor de minste verandering verraadt! Is het weinig, dat God ook thans een werk doet, voor den Christen onmiskenbaar? Dat zich, onder veel zwakheid en ellende, een terugkering tot de evangelische waarheid vertoont, welke naar herleving van doodsbeenderen gelijkt!
Ook thans zou, indien wij hierop of geen, of weinig acht gaven, het verwijt aan ons kunnen worden gericht:

Et quel temps fut jamais plus fertile en miracles?
Quand Dieu par plus d'effets montra-t-il son pouvoir?
Aura tu done toujours des yeux pour ne point voir,
Peuple ingrat! Quoi, toujours les plus grandes merveilles,
Sans ébranler ton coeur, frapperont tes oreilles? 6)

Wij leven voorwaar in een drukkende atmosfeer. Maar het is desniettegenstaande vergund zich aldus, op de vleugelen des geloofs, bij het gadeslaan van de tekenen ook dezer tijden, naar hoger kring te verheffen. Dit zij ons voorrecht, en laat ons, met het oog naar Hem, die wijsheid en kracht geeft, op de uitgestrektheid Zijner weldaden acht geven en op den omvang onzer verantwoordelijkheid bedacht zijn!

1) De la Mennais.
2) De Revolutie is de ontwikkeling van een volslagen scepticisme, waarbij Gods woord en wet terzijde gelegd is. Grondwetherziening en Eensgezindheid ('s Hage, 1848), blz. 363. Voorts Narede op vijfjarigen strijd ('s Hage, 1855), blz. 6 vg.
3) "Alleen het Christendom en de christelijke staat en de christelijke school maken aan de revolutie in Eurtopa een einde". Stahl
4) Men spreekt vaak van de punten van overeenkomst tussen de Revolutie en de Reformatie. We willen trachten ze samen te vatten. De Revolutie gaat uit van de soevereiniteit van de mens de Reformatie van de soevereiniteit van God. De een laat de rede oordelen over de openbaring de ander onderwerpt de rede aan de geopenbaarde waarheiden. De ene geeft vrij spel aan de individuele meningen, de ander bewerkt de enigheid van het geloof. de een maakt de maatschappelijke verbanden en zelfs de familiebanden los, de ander maakt ze hechter en heiligt ze. Deze overwint door de martelaren gene handhaaft zich door moordpartijen. De een komt op uit de afgrond de ander daalt neer uit de hemel. "Archives de la Maison d'Orange Nassau, première Série ( Gewoonlijk wordt dit geschrift van Groen betiteld als Proeve over de middelen waardoor de waarheid wordt gekend en gestaafd (1834; 2e druk 1858). Het betreffende hoofdstuk IV gaat over het verband tussen de wijsbegeerte, in het bijzonder de staatsbeschouwing en de geschiedenis.
5) Guizot.
6)"En welke tijd was ooit aan wonderen rijker? Wanneer heeft God zijn macht door groter daden getoond? Zult gij, ondankbaar volk, dan altijd ogen hebben om niet te zien? Zullen dan steeds de grootste wonderwerken uw oren treffen zonder uw hart te schokken?"

home