Hieronder een artikelen serie over Groen van Prinsterer
uit 'De Jonge Nederlander' van maart, april en mei 1935 van de hand van
mijn vader. Hij was toen 25 jaar.
Voor het verkrijgen, van een juist begrip, omtrent het leven en werken van onze grote staatsman-schrijver, grondlegger van onze Anti-Revolutionaire of Christelijk-Historische richting, is het allereerst noodzakelijk, den tijd te tekenen, waarin Groen leefde en te verklaren waarom het juist die tijd is geweest, die Groen heeft gevormd als de staatsman-Evangeliebelijder.
Guillaume Groen van Prinsterer werd op de 21ste Augustus 1801 op het buitengoed "Vreugd en Rust" te Voorburg, een zomerverblijf van zijne ouders, geboren.
De Franse voornaam Guillaume (Willem) ontving hij, door de omstandigheid, dat hij in de Franse of Waalse Kerk werd gedoopt.
Op nog geen 16-jarige leeftijd, werd hij reeds als student in de letteren en rechten aan de Leidse universiteit ingeschreven. Groen is voor de Leidse hogeschool een sieraad geweest, zijn inderdaad buitengewone aanleg, en enorme werkkracht, die hij ondanks een zeer slechte gezondheid bezat, had hem al spoedig een naam bezorgd, die zelfs buiten de grenzen van de Leidse universiteit weerklank vond. Studenten van andere centra kwamen naar Leiden, om de jeugdigen Groen in het Latijn te horen disputeren. Hij deed dit op bijna volmaakte wijze, en met een vlugheid alsof hij Frans sprak.
Reeds op twintigjarigen leeftijd werd hem een professoraat aangeboden. voor de oude geschiedenis en letterkunde, maar de vader van Groen belette dit, wegens de reeds genoemde zwakke gezondheid van zijn zoon. Door velen geëerd en allen bemind verliet Groen in 1823 de Leidse academie, nadat hij op 17 december, met de hoogsten lof de titels van doctor in de letteren en rechten verworven had. Hij trad aanvankelijk op als advocaat te 's~Gravenhage, maar intussen moest hij wegens ziekte een buitenlandse reis ondernemen. In 1825 trad Groen voor het eerst in het openbaar op met een opstel over: De redenen om 's lands historie aan de natie bekend te maken. Later is door hem erkend, dat hij in deze verhandeling, veel te weinig gelet had op de gewichtigste reden "bestaande in den zegen. die op de belijdenis van het zuivere evangelie gerust heeft". Groen was toen nog in die tijd, evenals de toongevende Protestantse meerderheid, liberaal, conservatief. Later is door Groen deze periode 1823-1828. beschouwd als de periode zijner achterlijkheid. In 1827, op 26-jarigen leeftijd, benoemde Z.M. Koning Willem I, de jeugdigen rechtsgeleerde, tot referendaris aan zijn kabinet.
Dat was een gewichtige betrekking, vooral in die tijd, toen de spanning tussen Noord- en Zuid~Nederland steeds ernstiger werd.
Groen's taak bestond voornamelijk in het voorbereiden der stukken, voordat de Koning ze ter inzage ontving. Hij moest hiervoor nauwkeurig alle binnen- en buitenlandse couranten nazien, en hield zodoende de Koning van alles wat er voorviel, nauwkeurig op de hoogte.
Deze arbeid heeft Groen geprikkeld tot nadenken, en gaf een vaste richting aan zijn staatsrechtelijke levensbeschouwing. Door zijn bekwaamheid werd hij in 1829 bevorderd tot secretaris van het kabinet des Konings.
Hij zag nu de revolutiestorm te Brussel opzetten, woonde de heftige beraadslagingen bij in de Staten-Generaal, en bewoog zich te midden van het vuur der periodieke pers. Groen, die steeds in nauw contact kwam met de Koning, maakte tegenover Z.M. geen geheim van zijn denkbeelden over den aard der verwikkelingen. En juist is het die tijd geweest, die voor het verdere leven en werken van Groen van zulk een enorme betekenis is geworden. Hier werd hij er ongemerkt toe gebracht, om na te denken, over de verwarring, en ontzetting, die er in die tijd overal in Europa heerste. En al duidelijker scheen het hem, dat dit een gevolg was van de idealen en de verlichting, opgekomen in de tijden welke aan de Franse revolutie van 1789 voorafgingen. Maar dit was niet de enige oorzaak, die Groen gebracht heeft tot de belijdenis van het ware Evangelie.
Naast de veelzijdige indrukken die Groen ontving, door zijn arbeid in het
Kabinet des Konings, moet er toch ook nog een andere oorzaak
worden aangewezen, die zijn Christelijk Historische opvoeding
heeft doen voltooien.
In 1827 was hij verloofd met Elisabeth Maria van der Hoop, een
dochter van de Burgemeester van Groningen. 1)
Het volgende jaar huwde hij en vertrok hij met haar naar Brussel.
Zoals we weten waren Noord- en Zuid-Nederland nog niet
gescheiden, en verplaatste zich de regeringszetel het ene jaar
naar Brussel en het andere jaar naar 's-Gravenhage. Door Gods
leiding en voorzienigheid, kwamen Groen en zijn vrouw aldaar in
aanraking met de hofprediker Merle d'Aubigné, die behoorde
tot de mannen van het Zwitsers réveil. De omgang met deze
prediker is beslissend geweest voor beider leven. Het Brusselse
hof met zijn wereldse genoegens, gaf aan deze twee jonge mensen
geen voldoening meer, en beiden werden door het verkeer met 's
Konings hofprediker Evangeliebelijders in de zin der Reformatie.
Van dien tijd af, dateert ook Groen's deelname aan het publieke
leven, in 1829 zag zijn eerste geschrift 'Volksgeest en
Burgerzin' het licht.
Tegen het einde van het jaar begon hij met de uitgave zijner
Nederlandse gedachten, een op ongeregelde tijden
uitkomend blad, waarvan de strekking was: 'Aanprijzing van ons
Christelijk Nederland, gehoorzaamheid aan den scepter van Oranje,
en bezield met een waarlijk vrije, dat is: Nederlandse geest'.
Hoewel door Groen in deze geschriften wel eens kritiek is
uitgeoefend op de regeringsdaden, heeft hij nimmer het vertrouwen
des Konings verloren, integendeel bij voorkeur bleef hij met
gewichtige en geheime stukken belast en vergezelde de vorst op
diens reizen. Toch voelde hij zich in de dubbele rol van dienaar
des konings en bestrijder van diens regeringsdaden steeds minder
op zijn plaats.
Nadat hij reeds een paar malen den wens had uitgesproken om het
Kabinet te verlaten, maar ter wille van zijn ouders hiervan was
teruggekomen, heeft hij na de terugreis uit Zwitserland, die
noodzakelijk geworden was, tengevolge van een ernstige ziekte,
niet meer deelgenomen aan het werk in het kabinet.
Maar een blijde verrassing daagde voor hem op, die zijn stoutste
verwachtingen overtrof: hij werd door Z.M. belast met het
toezicht op het huisarchief van de Oranjes.
Toegelaten tot de op die tijd gesloten gebleven schatkamers der
historische brieven van staatslieden en helden, zag Groen al
spoedig de belangrijkheid dezer verzameling in en verzocht hij
goedkeuring tot uitgaaf hiervan, die hem door de Koning, op
Koninklijke wijze, onmiddellijk werd verleend.
Dit reuzenwerk, waaraan hij een aanmerkelijk deel van zijn leven
heeft besteed, behoort tot de vruchtbaarste en schoonste werken,
die zijn tijd aan het nageslacht heeft vermaakt en waardoor zijn
naam als historieschrijver ver over de grenzen van ons vaderland
gevestigd werd.
Bijna talloos zijn de geschriften, kleine en grote door Groen
gepubliceerd. Want bij elke gebeurtenis van enig gewicht nam hij
de pen op en schreef zijn adviezen.
Daarbij voerde hij een correspondentie, van welke alleen reeds
het op het Rijksarchief bewaarde gedeelte 34 lijvige delen omvat.
Het is echter onmogelijk in dit kort bestek zijn zeldzame
persoonlijkheid te beschrijven. Het tijdperk waarin hij leefde
was zo veel bewogen en zijn arbeid, ofschoon altijd door dezelfde
hoofdgedachten geleid, was zo veelzijdig, dat een volledig
overzicht van zijn leven zou neerkomen op een beschrijving van de
geschiedenis van zijn tijd. Maar daarom acht ik het van zulk een
verstrekkend belang, om Groen en zijn tijd te bestuderen, omdat
juist zijn tijd en de onze, in haast alle opzichten een
gelijkenis vertoont.
Hoe meer Groen er toe overging om de geschiedenis te
bestuderen, des te duidelijker werd het hem, dat de
revolutiedenkbeelden de oorzaak waren van de vele ellende die
destijds in Europa heerste.
Tegen het toen in die dagen sterk opkomend liberalisme, dat
immers uit de revolutie ontstaan was, stelde hij de antirevolutie
en zo werd Groen de grondlegger van de Antirevolutionaire of
Christelijk-Historische richting in onze politiek.
In het begin was de betekenis van deze partij niet groot, de
aanhang was zeer gering, en de meesten die er toebehoorden, waren
eenvoudige en arme mensen.
Maar de omstandigheid, dat deze partij geleid werd door een man
als Groen van Prinsterer, één van de knapste en
begaafdste mensen van het land had tengevolge dat ze al spoedig
in het Nederlandse staatkundige leven kon mee spreken.
De grote, niet genoeg te prijzen verdienste van Groen is geweest,
dat hij altijd streed voor de belangen en rechten van de mindere.
Duidelijk blijkt dit uit zijn optreden, voor de afgescheidenen,
waarvoor hij door middel van een pleitrede in de bres is
gesprongen. Hoewel hij hiermede lijnrecht inging tegen den wil
van den Koning, legde dit bij Groen geen gewicht in de schaal;
"waarheid en recht" gingen hij hem boven alles.
Zijn parlementaire arbeid is zeker niet van de geringste geweest,
en verscheidene keren heeft hij het voorrecht gehad, een
minderheid van het volk te mogen vertegenwoordigen. Met enkele
onderbrekingen heeft hij van 1849 -1866 in de Tweede Kamer
zitting gehad. Tengevolge van zijn parlementaire arbeid zijn hem
de teleurstellingen echter niet gespaard gebleven; dat de
liberalen hem niet konden volgen, Groen had nooit anders
verwacht, pijnlijker was het voor hem, dat ook zijn eigen
partijgenoten zelfs zijn vrienden, hem niet begrepen. Als een
lichtende ster boven alles uit, gaat zijn arbeid die hij gevoerd
heeft voor de Christelijke school. Niet alleen in het parlement,
doch ook daar buiten; tot aan zijn dood toe, is hij de ziel
geweest van de vereniging voor Christelijk Nationaal
Volksonderwijs, daarnaast moeten we nog noemen zijn arbeid voor
de zending op Java, en zijn arbeid die hij verricht heeft in het
belang voor de afschaffing van de slavernij, kortom overal waar
christelijke arbeid viel te verrichten stond hij vooraan.
De tegenstander van Groen in die tijd was Thorbecke, de grote man
van het liberalisme in Nederland. Beide mannen ongeveer even oud,
hadden tegelijk aan de Leidse universiteit gestudeerd en zijn
aldaar altijd vrienden geweest. Na hun studenten tijd was elk
zijn eigen weg gegaan, maar hun vriendschap had zich in brieven
voortgezet. Toen ze elkander dan ook weer ontmoetten was Groen
als eenling afgevaardigd in de Tweede Kamer voor de
Antirevolutionaire partij, en Thorbecke stond als eerste minister
aan het hoofd van de machtige liberale partij. De richting, die
zij in hun leven hadden ingeslagen was verschillend en dit maakte
hen tot onverzoenlijke tegenstanders. Thorbecke bouwde op de
denkbeelden van de revolutie voort, Groen stelde tegenover de
revolutie het Evangelie. "Ik ben niet van uw geloof" - zo schreef
Thorbecke eens aan Groen, maar hij liet er onmiddellijk op
volgen: "Doch ik wenste, dat allen voor het hunne zoveel deden,
als gij voor het uwe; wij hadden dan wat meer groeikracht in de
Nederlandse natuur".
Wanneer Groen zijn beginselen had willen loochenen zou hij het
maatschappelijk ongetwijfeld verder gebracht hebben, zeker tot
minister, maar dan had hij iets moeten onderdrukken wat hij lief
had; nooit heeft hij er één ogenblik aan gedacht,
daarvoor was Groen een man van te groot formaat en karakter.
Velen konden het niet verkroppen, dat een man als hij, zo rijk en
voornaam, zich aansloot bij het arme en onbeschaafde deel van het
volk.
Op alle mogelijke manieren heeft men hem dat laten voelen, veel
smaad en schimp heeft hij ondergaan, uit allerlei ambten en
ereposten heeft men hem stelselmatig uitgesloten.
Groen heeft er zich niet aan gestoord, hij is rustig zijn weg
gegaan, wetend dat de overwinning zou komen.
En deze is gekomen - al was het dan ook eerst na zijn dood. Want
toen hij in 1876 stierf, stonden Lohman en Kuyper gereed om zijn
werk voort te zetten.
En thans: de studies in de archieven door Groen verricht, hebben
voor de beoefening van de historie rijke vruchten gedragen. In
het onderwijs is er thans gelijkstelling gekomen, en laat ons
daarom als dank en erkenning voor den eerlijke onvermoeide
strijder voor recht en vrijheid, trouw blijven aan het door alle
tijden heen beproefde Antirevolutionaire of
Christelijk-Historische beginsel.
1) Moet zijn Wethouder van Groningen. Hij heeft zijn informatie ontleend aan het boek "Groen van Prinsterer" van de hand van Mr. P. A. Diepenhorst. Kampen 1932. Op blz 28 meldt deze dat de vader van Elisabeth van der Hoop burgemeester was van Groningen. Uit het huwelijkscontract blijkt overigens dat de vader reeds was overleden, namelijk 3 oktober 1826.
Tot zover deze artikelen reeks van de hand van mijn vader Johannes Somer. Wilt u meer weten over Groen van Prinsterer, Kuyper, Lohman enz. klik dan op deze link die verwijst naar het Nederlands Instituut voor Geschiedenis.