Om een goed inzicht te krijgen in de ministeries waarmee Groen van Prinsterer te maken heeft gehad volgt hieronder een overzicht.
Deze gegeven zijn door mij overgenomen van de site Parlement en Politiek
Periode 1815-1840: onder koning Willem I.
Koning Willem I regeert als een verlicht absolutistisch vorst: hij bepaalt het beleid, neemt besluiten en is verantwoordelijk voor de financiën, en hij benoemt en ontslaat de ministers. Die ministers zijn alleen aan hem verantwoording schuldig. Maar de koning heeft wel het beste voor met het land. Hij bevordert de handel en industrie en zorgt voor aanleg van kanalen.
In de periode tot 1830 behoort ook België tot het koninkrijk. Maar de Belgen komen in 1830 in opstand en scheiden zich af. Willem I weigert zich daar lange tijd neer te leggen en houdt het dure leger onder de wapenen. Mede daardoor raken de staatsfinanciën in het slop. Pas in 1839 komt er een verdrag, waarbij de afscheiding wordt geregeld. Dit alles leidt in de Tweede Kamer tot steeds meer kritiek op de koning.
In 1840 komt de koning met een Grondwetsherziening. Die herziening heeft weliswaar niet zo veel betekenis, maar laat toch de eerste tekenen van verandering zien: ministers worden ook zelf verantwoordelijk voor hun beleidsdaden. Als er daarnaast ook nog eens bezwaar wordt gemaakt tegen zijn voorgenomen huwelijk met een Belgische (katholieke) hofdame, treedt de koning af.
Grondwet 1815: invoering tweekamerstelsel.
Na de vereniging met België stelt koning Willem I een nieuwe Grondwetscommissie in onder leiding van Van Hogendorp. Van die commissie maken ook Belgen deel uit.
De belangrijkste wijziging die wordt doorgevoerd is de splitsing van de Staten-Generaal in twee Kamers. De indirect gekozen Tweede Kamer stemt over wetsvoorstellen en mag die ook zelf indienen. De Eerste Kamer, waarvan de leden door de koning worden benoemd, mag alleen 'ja' of 'nee' tegen wetsvoorstellen zeggen. Daarmee kan de koning hem onwelgevallige initiatiefvoorstellen alsnog laten tegenhouden.
De Grondwetsherziening komt er alleen door, omdat bij de volksstemming in België de thuisblijvers bij de voorstanders zijn opgeteld. Ook Belgen die alleen vanwege de bepalingen over de godsdienst tegen waren, worden bij de voorstanders gerekend. 'Hollandse rekenkunde' wordt dit genoemd.
Regering.
De koning blijft alle macht houden, en zijn ministers zijn alleen dienaren. Veel zaken regelt de koning buiten het parlement om bij besluit. In 1818 wordt bepaalt dat niet-naleving van alle besluiten (ook toekomstige besluiten) strafbaar is. Belangrijk is de Staatssecretarie, die zorgt voor het uitvaardigen van al die besluiten.
De ministers komen zelden gezamenlijk bijeen, en als ze dat doen, is dat onder voorzitterschap van de koning.
De Tweede Kamer wordt via een ingewikkeld stelsel van getrapte verkiezingen gekozen. Toch zullen er langzamerhand wat tegenstanders van de koning verschijnen, zeker in het Zuiden. De Eerste Kamer bestaat grotendeels uit vertrouwelingen van de koning. De Belgen noemen haar spottend 'Ménagerie du roi' (dierentuin van de koning).
Periode 1840-1848: onder koning Willem II.
Kort na de afkondiging van de Grondwetsherziening van 1840 doet Willem I afstand van de troon ten gunste van zijn oudste zoon, die vanaf 7 oktober 1840 als koning Willem II gaat regeren.
Het bewind van de nieuwe koning verschilt niet zo veel van dat van zijn vader. Ook Willem II heeft veel invloed op het bestuur en bemoeit zich met allerlei detailzaken. Bovendien is er net als onder het bewind van zijn vader veel kritiek op het financiële beleid. De koning houdt bovendien lange tijd iedere democratische hervorming tegen, en wenst zeker geen grotere invloed van de Tweede Kamer op het bestuur.
Als echter begin 1848 in Duitsland en Frankrijk revoluties uitbreken, wijzigt hij (in één nacht) van standpunt. Buiten zijn ministers om vraagt hij de Tweede-Kamervoorzitter om advies. Er wordt vervolgens een Grondwetscommissie ingesteld onder leiding van de liberaal Thorbecke. Die commissie komt met ingrijpende wijzigingen. De nieuwe Grondwet i is de basis van ons huidige parlementaire stelsel. Op 17 maart 1849, vier maanden nadat de Grondwetsherziening tot stand is gekomen, overlijdt Willem II.
Bijzonderheden.
Hoewel de Grondwetsherziening van 1840 formeel niet zoveel betekent, leidt zij toch tot veranderingen. Ministers kunnen meer dan voorheen op hun beleidsdaden worden aangesproken. In 1842 komt er bovendien een nieuw reglement voor de ministerraad. Voortaan vergaderen de ministers gezamenlijk, met één van hen als voorzitter. Die vergaderingen vinden veel vaker plaats dan onder Willem I. De Staatssecretarie wordt door de nieuwe koning afgeschaft.
Ook in personele zin vinden er veranderingen plaats. De belangrijkste minister onder Willem I, de minister van Justitie Van Maanen, wordt in 1842 vervangen door een gematigde liberaal, Van Hall.
In 1843 wordt die Van Hall minister van Financiën, nadat voorstellen van de ministers Rochussen en Van der Heim om de financiën op orde te brengen door de Tweede Kamer zijn verworpen. Het lukt Van Hall in 1844 wel om de staatsschuld te saneren. Hij verplicht de rijken om de staat geld te lenen. Als ze daarmee niet instemmen, wil Van Hall een inkomstenbelasting invoeren. Van die twee zaken kiest men toch liever de 'vrijwillige lening'.
Inmiddels wordt de roep om staatkundige veranderingen steeds krachtiger. In 1844 vraagt de Tweede Kamer de koning om Grondwetsherziening, maar dat weigert hij. Dan nemen negen Tweede-Kamerleden ('de Negenmannen') onder leiding van Thorbecke het initiatief. Zij dienen wetsvoorstellen in om onder andere rechtstreekse verkiezing van de Tweede Kamer in te voeren. De Tweede Kamer wijst dat in 1845 echter af. In de Kamer zijn 21 leden voor behandeling van de voorstellen en 34 tegen.
Mislukking vande aardappeloogst in 1845, hoge voedselprijzen en werkloosheid in de jaren die daarop volgen leiden in 1847 tot relletjes in Noord-Nederland. De regering komt hierna met 27 voorstellen voor een zeer beperkte Grondwetsherziening, maar de eisen van de liberalen worden niet ingewilligd. Minister Van Hall treedt af, omdat hij de voorstellen niet ver genoeg vindt gaan. Onder invloed van revoluties in Frankrijk en Duitsland zal de koning in maart 1848 alsnog 'omgaan'. De conservatieve ministers treden direct af.
Periode 1848-1872: het tijdperk van Thorbecke.
In 1848 komt een belangrijke grondwetsherziening i tot stand, waardoor het regeringsstelsel drastisch verandert. Voortaan is niet langer de koning, maar zijn de ministers verantwoordelijk voor het beleid. De jaren na 1848 zijn er afwisselend gematigd liberale kabinetten (1848-1849, 1858-1862), conservatieve kabinetten (1853-1858 en 1866-1868) en liberale kabinetten (1849-1853, 1862-1866 en 1868-1872). Zowel in de liberale kabinetten als in de Tweede Kamer is Thorbecke de grote man.
Na een intern conflict in 1866 treedt kort een liberaal kabinet onder leiding van Fransen van de Putte op. In 1868 formeert Thorbecke wel het kabinet, maar wordt hijzelf geen minister. In 1872 overlijdt de liberale voorman.
Kabinet-Schimmelpenninck (1848).
Dit eerste kabinet treedt op als tijdelijk kabinet, nadat de conservatieve ministers van Willem II zijn opgestapt. Belangrijkste taak is het tot stand brengen van een herziening van de Grondwet. Tot formateur van het kabinet benoemt de koning niet Thorbecke, maar Gerrit graaf Schimmelpenninck, een zoon van de vroegere raadpensionaris Rutger Jan. Die wil echter een veel behoudender Grondwet naar Brits model.
De meerderheid van de ministers wijst zo'n Grondwet echter af, en kiest voor uitwerking van de voorstellen van de commissie-Thorbecke. Schimmelpenninck en de minister van Oorlog, Nepveu, treden daarop af. Donker Curtius loodst als minister van Justitie de Grondwetsherziening hierna door de beide (nog in meerderheid conservatieve) Kamers. Na het totstandkomen van de Grondwetsherziening dienen de ministers hun ontslag in.
Kabinet-De Kempenaer/Donker Curtius (1848-1849).
Dit kabinet 'van burgerlijke zin' is gematigd liberaal. Een nieuwe formatie heeft niet plaatsgevonden; er zijn slechts enkele wijzigingen ten opzichte van het vorige (tijdelijke) kabinet. De grote man van 1848, Thorbecke, ontbreekt. Daarom wordt het kabinet door de Thorbeckianen in de Tweede Kamer fel bestreden.
Erg succesvol is het kabinet niet. Veel kritiek is er op de wetsvoorstellen van minister De Kempenaer, zoals zijn ontwerp-Kieswet en ontwerp-Gemeentewet. Geen van deze voorstellen wordt aangenomen. Na diverse nederlagen en het aftreden van enkele ministers, stapt het kabinet uiteindelijk in september 1849 op.
Belangrijkste ministers in dit kabinet zijn Donker Curtius, De Kempenaer en Van Bosse. Donker Curtius nam in juni 1849 ontslag na een nederlaag. Tot het kabinet behoren ook conservatievere ministers, zoals de katholiek Lightenvelt.
Kabinet-Thorbecke I (1849-1853).
'Wacht op onze daden!'. Met die woorden introduceert Thorbecke in november 1849 zijn kabinet. Hoewel het kabinet ook nederlagen lijdt, weet het veel bepalingen van de herziene Grondwet in zogenaamde 'organieke wetten' uit te werken. Het kabinet brengt onder meer de Gemeentewet, de Provinciale Wet, de Kieswet en de Wet op het recht van enquête tot stand. Daarnaast worden op economisch gebied allerlei maatregelen genomen om de handel te liberaliseren. De doorvoerrechten en vrijwel alle tollen op de Rijn en de IJssel worden afgeschaft.
Het kabinet wordt gedomineerd door de liberaal Thorbecke. Daarnaast zitten er echter ook meer gematigde personen in, zoals minister van Justitie Nedermeijer ridder van Rosenthal en minister van Koloniën Pahud. In 1852 wordt zelfs een uitgesproken conservatief, baron Forstner van Dambenoy, minister van Oorlog. Het kabinet telt één katholieke liberaal, Van Sonsbeeck.
Het kabinet komt ten val na de Aprilbeweging; het protestantse protest tegen het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (de organisatie van de RK-kerk) in Nederland.
De Aprilbeweging van 1853 is het protestantse en conservatieve protest tegen het herstel door de paus van de bisschoppelijk hiërarchie in Nederland. De bisschoppelijke hiërarchie is de indeling van de R.K.-kerk in Nederland in vijf kerkprovincies, met aan het hoofd een bisschop. De beweging richt zich tevens tegen het kabinet-Thorbecke, dat de R.K.-kerk geen strobreed in de weg legt, op grond van de scheiding van kerk en staat.
Kabinet-Van Hall/Donker Curtius (1853-1856)
Dit koninklijke kabinet treedt aan na de Aprilbeweging van 1853. Kort na zijn aantreden, ontbindt het kabinet de Tweede Kamer. De verkiezingen leveren winst voor de conservatieven en antirevolutionairen op. Minister Van Hall weet de godsdienstige gemoederen tot bedaren te brengen door een nietszeggende Wet op de kerkgenootschappen.
De ministers zijn overwegend conservatief of conservatief-liberaal. Ook de vroegere medestander van Thorbecke, Donker Curtius, maakt deel uit van het kabinet. De koning heeft een belangrijke rol gespeeld bij het totstandkomen van het kabinet. Onder de ministers is de voormalige directeur van het Kabinet van de Koning, Van Rappard.
Het kabinet treedt af nadat de antirevolutionairen onder leiding van Groen van Prinsterer kritisch reageren op de ontwerp-Wet op het lager onderwijs van minister Van Reenen. Ook buiten de Kamer bestaat verzet daartegen. De koning kiest de zijde van Groen en de opposanten. De periodieke verkiezingen van 1854 en 1856 hebben er bovendien al toe geleid dat de liberale oppositie is versterkt. De koning formeert daarop grotendeels zelf een nieuw kabinet.
Kabinet-Van der Brugghen (1856-1858).
Dit koninklijke kabinet onder leiding van de antirevolutionair Van der Brugghen weet in 1857 een nieuwe Wet op het lager onderwijs tot stand te brengen. De kabinetsleider komt door de nieuwe wet echter in conflict met de antirevolutionaire voorman Groen van Prinsterer i, die uit onvrede ontslag neemt als Tweede-Kamerlid.
Het grotendeels uit conservatieven bestaande kabinet heeft een wankele basis in de Tweede Kamer. Het treedt begin 1858 af na enkele nederlagen.
Bijzonderheden.
De nieuwe Wet op het lager onderwijs bepaalt dat het onderwijs moet opleiden 'tot alle christelijke en maatschappelijke deugden'. Het oprichten van bijzondere scholen is vrij, maar er kan daarvoor geen rijkssubsidie worden gekregen.
Groen van Prinsterer wil openbare gezindheidscholen: protestantse, katholieke en joodse scholen die met overheidssteun worden opgericht. De openbare scholen waar nu voor is gekozen, zijn volgens hem te weinig christelijk.
Kabinet-Rochussen (1858-1860).
Dit gemengd liberaal-conservatieve kabinet kan niet veel tot stand brengen. Plannen op het gebied van koloniën en een belastinghervorming halen niet de eindstreep.
Het kabinet komt ten val als de Eerste Kamer - onder gejuich van de publieke tribune - de ontwerp-Spoorwegwet verwerpt. Dat ontwerp gaat uit van staatsaanleg door particuliere maatschappijen, die door de staat worden gesubsidieerd.
Er worden vooral spoorwegen gepland die Rotterdam goed ontsluiten. Verzet van afgevaardigden uit onder meer Amsterdam (daarin gesteund door de koning) en uit de noordelijke provincies maakt het voorstel kansloos.
Kabinet-Van Hall/Van Heemstra (1860-1861).
Dit kabinet van conservatieven en gematigde liberalen weet de spoorwegkwestie waarover het vorige kabinet is gevallen, op te lossen. Er komt daardoor spoorwegaanleg van staatswege, terwijl de wijze van exploitatie later bij wet zal worden geregeld.
Het kabinet wordt fel bestreden door de liberalen. Thorbecke betitelt de politiek van het kabinet als parasitisch, omdat het kabinet volgens hem geen vaste koers heeft, maar steeds andere meerderheden zoekt.
Onenigheid in het kabinet over het koloniale beleid en een geschil over het voorzitterschap van de ministerraad leiden tot de val van het kabinet.
Kabinet-Van Zuylen van Nijevelt/Van Heemstra (1861-1862).
Dit gemengd conservatief-liberale kabinet wordt geleid door J.P.P. baron van Zuylen van Nijevelt. Hij is een voormalige medestander van Thorbecke, maar is allengs conservatiever geworden. Na zijn aftreden in november 1861 wordt de minister van Binnenlandse Zaken, Van Heemstra, kabinetsleider. Ook de liberale minister van Koloniën Loudon behoort tot de vooraanstaande figuren in het kabinet.
Het kabinet is weinig populair in de Tweede Kamer. In november 1861 wordt eerst de begroting van Binnenlandse Zaken verworpen. Het kabinet wordt vervolgens ten val geval gebracht, doordat op 21 december 1861 op voorstel van de liberaal Ter Bruggen Hugenholtz i met 51 tegen 20 stemmen wordt besloten het begrotingshoofdstuk 'Onvoorziene Uitgaven' met de helft te verminderen.
Het conservatieve Tweede-Kamerlid Wintgens had eerder de kabinetten die sinds 1853 aan het bewind zijn geweest, als volgt getypeerd:
"Wij vonden na 1853 achtereenvolgens: gemis van beginselen, verzaking van beginselen, vergissing omtrent beginselen, fusie van beginselen, goochelspel met beginselen, misverstand omtrent beginselen."
Kabinet-Thorbecke II (1862-1866).
Dit tweede kabinet onder leiding van Thorbecke richt zich vooral op versterking van de economie. Het is, zo heet het, 'met de spade op de schouder' aangetreden. Het kabinet weet wetten over nieuwe waterverbindingen, over verbetering van het middelbaar onderwijs, en tot verlaging van invoerrechten en opheffing van gemeentelijke accijnzen tot stand te brengen. De ministers zijn allen liberaal.
In 1865 krijgt het kabinet te maken met een affaire die leidt tot het aftreden van de minister van Financiën. Korte tijd daarna ontstaat een intern conflict, dat tot de val van het kabinet leidt.
Bijzonderheden.
Er wordt een algemeen vrijhandelstarief ingevoerd.
De accijnzen op brandstoffen worden afgeschaft.
Er komen wetten tot stand inzake de aanleg van de Nieuwe Waterweg en van het Noordzeekanaal.
In 1865 breekt een runderpest (rundertyfus) uit, die zeer schadelijk is voor de veestapel.
Limburgse brievenaffaire- Minister Betz van Financiën komt met een voorstel om de grondbelasting in Limburg te verhogen (en daarmee gelijk te trekken aan die in andere provincies). De behandeling van dit voorstel gaat trager dan voorzien. Vanuit de oppositie wordt gesuggereerd dat het uitstel te maken heeft met de verkiezingen in 1864.
Door de Limburgse pers wordt een brief openbaar gemaakt, waaruit blijkt dat Betz inderdaad aan het Limburgse Kamerlid (en oud-minister) Van der Maesen de Sombreff beloofd heeft de behandeling tot na de verkiezingen uit te stellen. De oppositie vraagt hierna om een parlementaire enquête naar de vraag of ook Thorbecke hiervan geweten heeft. Dat wordt afgewezen. Het wetsvoorstel over de grondbelasting in Limburg wordt vervolgens alsnog behandeld en aangenomen.
Tussen enerzijds Thorbecke en Olivier en anderzijds de andere ministers ontstaat eind 1865 een conflict over de vraag of het nieuwe Wetboek van Strafrecht in Nederlands-Indië bij wet of bij koninklijk besluit moet worden ingevoerd. Thorbecke en Olivier willen invoering bij wet. Hoewel Fransen van de Putte verklaart dat dit het enige verschil van mening is dat tot de breuk heeft geleid, lijken er ook andere redenen te zijn geweest. Vooral het inzicht bij Thorbecke dat jongeren de leiding van de liberalen van hem willen overnemen, is de diepere oorzaak.
Kabinet-Fransen van de Putte (1866).
Dit liberale kabinet telt enkele ministers van het voorgaande kabinet, die medestander zijn van minister van Koloniën Fransen van de Putte (de zgn. Puttianen). Het kabinet komt al spoedig ten val over de grondpolitiek in Nederlands-Indië. Met steun van acht Thorbeckianen zorgen de conservatieven voor aanneming van een amendement-Poortman op de ontwerp-Cultuurwet. Dat amendement is onaanvaardbaar voor het kabinet.
De Cultuurwet van Fransen van de Putte moet in Nederlands-Indië verhuur van grond aan niet-inlandse bedrijven en grondbezit door inlanders mogelijk maken. Het amendement-Poortman beoogt inlanders wel het gebruiksrecht van de grond te geven, maar niet het bezit. Dat bezit moet in handen blijven van de dessa (het dorp).
Na aanneming van het amendement trekt het kabinet op 18 mei 1866 het wetsvoorstel in, en treedt het af.
Kabinet-Van Zuylen van Nijevelt (1866-1868).
Dit (koninklijke) minderheidskabinet bestaat uit conservatieve ministers, onder wie een katholieke conservatief. Het kabinet gaat na nederlagen twee keer de strijd aan met de Tweede Kamer. Zowel in 1866 als 1868 wordt de Kamer namelijk ontbonden. Pas na een derde nederlaag eindigt deze 'conflictentijd' in een overwinning voor de (liberale) Kamermeerderheid.
Een belangrijk vraagstuk dat tijdens deze periode speelt, is de koloniale kwestie. Daarvoor wordt echter geen oplossing gevonden. Verder staat de buitenlandse politiek centraal, en dan vooral de positie van Luxemburg, waarvan koning Willem III groothertog is.
Bijzonderheden.
Ontbinding 1866- Kort na het aantreden van het kabinet wordt minister van Koloniën Mijer, die als koloniaal specialist minister was geworden, benoemd tot Gouverneur-Generaal. De meerderheid van de Tweede Kamer bekritiseert deze handelwijze.
Door het kabinet wordt die kritiek beschouwd als een aanval op de koning, die formeel het opperbestuur over de koloniën heeft en de benoeming heeft gedaan.
De meerderheid wijst echter op de ministeriële verantwoordelijkheid: de ministers zijn verantwoordelijk voor de daden van de koning. De Kamer neemt daarop op 27 september 1866 met 39 tegen 23 stemmen een motie-Keuchenius aan, die uitspreekt 'dat de gedragslijn van het kabinet ten opzichte van het uittreden van de minister van Koloniën' wordt afgekeurd.
Op deze afkeuring volgt al de volgende dag ontbinding van de Tweede Kamer. In een proclamatie contraseignering richt de koning zich hierna tot de kiezers en roept hen op bij de verkiezingen de kant van de regering te kiezen. De proclamatie wordt tegelijk met de stembriefjes aan de kiezers gezonden. De verkiezingen van 30 oktober 1866 leiden evenwel niet tot grote veranderingen in de krachtsverhoudingen: de liberalen blijven in de meerderheid. Het kabinet blijft desondanks aan.
Ontbinding 1868- In 1867 stelt de Franse keizer Napoleon III aan Willem III voor Luxemburg aan hem af te staan tegen een geldelijke schadevergoeding. De Pruisische kanselier Bismarck doet naar buiten toe voorkomen alsof hij zich daartegen niet zal verzetten. Een positieve uitspraak hierover wil Pruisen echter niet doen. Pas als de zaak bijna rond is, wordt door Pruisen oorlogszuchtige taal gesproken. De overdracht aan Frankrijk gaat dan niet door.
Op een door de Russen in Londen belegde conferentie wordt Luxemburg neutraal verklaard; ook Nederland zal, zo verklaard minister Van Zuylen van Nijevelt, die neutraliteit garanderen.
In de Tweede Kamer is er weinig instemming met het beleid van Van Zuylen. Formeel heeft Nederland niets met Luxemburg te maken en het afgeven van een garantie was niet in het landsbelang. De slechte verhouding tussen meerderheid en kabinet komt tot uiting in de verwerping van de begroting voor Buitenlandse Zaken op 26 november 1867. Het kabinet biedt zijn ontslag aan. De koning weigert dit en ontbindt op 27 december wederom de Tweede Kamer.
De verkiezingen van 23 januari 1868 leiden er net als in 1866 toe dat de verhoudingen in de Tweede Kamer nauwelijks wijzigen. Het kabinet blijft echter aan. Tegen deze handelwijze komt Thorbecke op. Een kabinet kan volgens hem niet blijven zitten als het geen vertrouwen heeft in het parlement. In een motie-Blussé van Oud-Alblas spreekt de meerderheid op 23 maart uit, dat de Kamerontbinding niet in het landsbelang was. Korte tijd later (op 28 april) wordt de begroting voor Buitenlandse Zaken voor de tweede maal verworpen. Het kabinet biedt wederom ontslag aan.
Vijf Eerste-Kamerleden roepen de Eerste Kamer bijeen om te bezien of dat college zich met een adres tot de koning moet richten. In dat adres zou aan de koning moeten worden gevraagd af te zien van een derde Kamerontbinding. Dat blijkt echter niet nodig, want er is inmiddels al een formatie aan de gang. Die leidt uiteindelijk tot vorming van het liberale kabinet-Van Bosse/Fock. Het parlement is als overwinnaar uit de strijd gekomen.
Overige bijzonderheden.
Minister Heemskerk besluit in 1867 dat tot bestrijding van de veepest vee moet worden onteigenend en afgemaakt.
Kabinet-Van Bosse/Fock (1868-1871).
Dit liberale kabinet wordt geformeerd door Thorbecke, die daarin echter zelf geen zitting neemt. De vroegere minister van Financiën Van Bosse en de Amsterdamse burgemeester Fock leiden het kabinet. Het kabinet voert een liberale economische politiek en streeft naar hervormingen op koloniaal gebied.
Belangrijke liberale maatregelen zijn de afschaffing van het dagbladzegel, waardoor de verspreiding van dagbladen wordt bevorderd. Verder wordt de doodstraf in het burgerlijke strafrecht afgeschaft. De Agrarische Wet van minister De Waal maakt grondbezit door de inlandse bevolking mogelijk. Tevens wordt de verplichte verbouwing van suiker ten behoeve van het Nederlandse Gouvernement geleidelijk afgeschaft.
Het kabinet treedt na anderhalf jaar af, nadat de positie van diverse ministers ter discussie is komen te staan en het kabinet diverse nederlagen heeft geleden.
Kabinet-Thorbecke III (1871-1872).
Net als het voorgaande kabinet is dit een liberaal kabinet. Herziening van de defensie-organisatie staat hoog in het vaandel. Het kabinet is, zo heet het, aangetreden "Met het geweer op de schouder". Van realisering van de plannen tot legerhervorming komt echter niets terecht. Gedurende de 19 maanden dat het kabinet aan het bewind is, zijn er liefst drie ministers van Oorlog.
Van de voorstellen voor belastingherziening van minister Blussé van Oud-Alblas komt evenmin iets terecht. Een voorstel om een inkomstenbelasting in te voeren in ruil voor afschaffing van het recht van patent en de accijns op vlees wordt door de Tweede Kamer op 2 mei 1872 afgewezen.
Ten tijde van besprekingen over reconstructie van het kabinet overlijdt Thorbecke, waarna een geheel nieuw kabinet wordt gevormd.
Periode 1872-1888: kiesrecht- en schoolstrijd.
Twee onderwerpen staan in deze periode centraal. Het eerste betreft de vraag welke burgers, naast de belastingbetalers, het kiesrecht moeten krijgen. Het tweede is de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs. Katholieken en Antirevolutionairen willen dat de overheid ook bijzondere scholen gaan subsidiëren; de Liberalen zijn daar tegen.
In de Tweede Kamer - en ook binnen de grootste politieke groep daarin, de liberalen - is over deze kwesties veel verdeeldheid, waardoor het moelijk is stabiele kabinetten te vormen. Veelvuldig komen kabinetscrises voor. Ondanks een grote liberale meerderheid in het parlement valt het liberale kabinet-Kappeyne van de Coppello al na twee jaar door een intern conflict. Daarna treden gematigd conservatieve kabinetten op.
Het kabinet-Heemskerk weet in 1887 door een Grondwetsherziening een voorlopige oplossing voor het kiesrecht te bereiken: er komt geen algemeen mannenkiesrecht, maar het kiesrecht zal wel geleidelijk worden uitgebreid. Tevens wordt uitgesproken dat de Grondwet subsidiëring van het bijzonder onderwijs niet verbiedt.
Kabinet-De Vries/Fransen van de Putte (1872-1874).
Dit is het derde liberale kabinet op rij, ditmaal onder leiding van een leerling van Thorbecke, De Vries. Het kabinet poogt te komen tot uitbreiding van het kiesrecht, maar slaagt daar niet in. Een voorstel tot afschaffing van de plaatsvervanging bij het leger haalt het evenmin. Artikel 1 van het wetsvoorstel dat dit regelt wordt op 30 juni 1873 met 43 tegen 25 stemmen verworpen.
De verwerping van de legerplannen van de ministers Van Limburg Stirum van Oorlog en Geertsema van Binnenlandse Zaken leidt tot een tussentijdse crisis. Omdat men er niet in slaagt een ander kabinet te vormen, blijft het kabinet - met een nieuwe minister van Oorlog - aan.
Uiteindelijk gaat het kabinet aan de verdeeldheid van de liberalen en de geringe regeerkracht die daarvan het gevolg is, ten onder.
Kabinet-Heemskerk/Van Lynden van Sandenburg (1874-1877).
Na drie liberale kabinetten, die voor enkele belangrijke wetsvoorstellen geen meerderheid hebben kunnen krijgen, treedt een overwegend conservatief kabinet op. Kabinetsleiders zijn de conservatieve voorman Heemskerk en de meer antirevolutionaire Baron Van Lynden van Sandenburg. In het kabinet zit ook een conservatieve katholiek, Van der Does de Willebois.
Drie belangrijke vraagstukken worden door het kabinet ter hand genomen: het hoger onderwijs, de spoorwegen en de rechterlijke organisatie.
Bij het hoger onderwijs wordt het mogelijk om bijzondere (d.w.z. niet-openbare) universiteiten op te richten. Studenten kunnen daar echter geen wetenschappelijke titel halen. De Spoorwegwet leidt tot verdere uitbreiding van het spoorwegnet. Een nieuwe Wet op de rechterlijke organisatie vermindert het aantal gerechtshoven, rechtbanken en kantongerechten.
Na liberale winst bij de periodieke verkiezingen voor de helft van de Tweede Kamer in 1877, brengt de liberale Kamermeerderheid het kabinet ten val.
Referendaris Kabinet des Konings, van 1 november 1827 tot 1 april 1829.
Secretaris Kabinet des Konings, van 1 april 1829 tot januari 1834.
Verlof i.v.m. ziekte, van januari 1834 tot juli 1834.
Archivaris van het Koninklijk Huisarchief, van juli 1834 tot 4 maart 1836.
Lid Raad van State in buitengewone dienst, van 4 maart 1836 tot 1 juli 1862.
Ambteloos, vanaf 1836 (wijdde zich met name aan historische studie).
Buitengewoon lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor de provincie Holland, van 5 augustus 1840 tot 5 september 1840.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Harderwijk, van 13 februari 1849 tot 20 augustus 1850.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Zwolle, van 7 oktober 1850 tot 26 april 1853.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Zwolle, van 14 juni 1853 tot 18 september 1854.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict 's-Gravenhage, van 24 september 1855 tot 17 september 1856.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Leiden, van 17 september 1856 tot 20 juli 1857.
Lid Tweede Kamer der Staten-Generaal voor het kiesdistrict Arnhem, van 15 september 1862 tot 6 april 1865.
Bekritiseerde als lid van de Dubbele Tweede Kamer in 1840 de door de koning benoemde Eerste Kamer ("een mislukte kopie naar Engelsch model").
Behoorde in 1840 tot de 15 leden die vóór een amendement op het Adres van Antwoord stemde om te verklaren dat de Grondwet plechtanker van Nederlands vrijheid en volksgeluk 'moet zijn' in plaats van dat het dat 'is'.
Was een voorstander van homogeniteit binnen kabinetten. Interpelleerde op 25 juli 1849 hierover het kabinet-De Kempenaer. Weigerde echter een motie van wantrouwen in te dienen.
Wilde in de Grondwet laten opnemen dat de koning protestants moest zijn.
Tegenstander van de regeringspolitiek tegen de Afgescheidenen.
Was een tegenstander van te grote volksinvloed en van de Kieswet van Thorbecke.
Was voorstander van afschaffing van de slavernij in Nederlands-Indië.
Was tegenstander van staatsarmenzorg.
Wilde dat er naar gezindten gesplitste openbare scholen zouden komen.
Diende in 1854 een initiatiefvoorstel in tot opneming van de mogelijkheid tot het instellen van kroonberoep bij weigering om een bijzondere school te mogen oprichten; dit voorstel werd na verwerping van artikel 1 ingetrokken.
Interpelleerde in 1863 minister Van der Maesen de Sombreff over de nota van de Nederlandse regering aan de gezant te Sint Petersburg betreffende de Poolse kwestie.