Politici over Groen van Prinsterer

Bron: Drs. G. Puchinger, Hergroepering der Partijen?, Delft augustus 1968, blz. 182, 183.

Uit het gesprek met Jkvr. mr. C. W. I. Wttewaal van Stoetwegen, van 1945 tot 1971 lid van de Tweede Kamer voor de Christelijke Historische Unie (CHU), het volgende:

Wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag nog te zeggen?

Jkvr. mr. C. W. I. Wttewaal van Stoetwegen 1901 - 1986 "Ja, wat heeft Groen van Prinsterer ons vandaag nog te zeggen? Mag ik het heel duidelijk zeggen? Is het heel hard als ik zeg: Niets ...?
Ja, 't is wat grof gezegd. Natuurlijk moet je Groen als Urheber zien, als stichter van de christelijke politiek, als grondlegger van de gedachte hoe christenen politiek moeten bedrijven.
Ik hoorde thuis altijd met de grootste achting over Groen spreken. Groen was bij ons thuis een soort held. 'k Heb ook menig gesprek over Groen gehad met mijn oudtante mevrouw van Swinderen-Thomassen à Thuessink van der Hoop, die getrouwd was met de broer van mijn grootvader Van Swinderen. Die tante was nog naar mevrouw Groen genoemd, en heette dus: Elisabeth Maria Magdalena.
Maar Groen zelf, die spreekt déze generatie en déze tijd echt niet meer zo toe."

En de oude Lohman?

"Die staat toch altijd nog weer veel dichter bij ons. Hij was gereformeerd, en is dat ook tot zijn dood toe gebleven. Op 't eind van zijn leven kerkte hij veel in de hervormde Duinoordkerk hier in Den Haag bij dominee Creutzberg, waar ik hem wel zag binnenkomen. Lohman is voor ons toch méér een bron geweest, waarop we direct teruggrepen, dan Groen. Ik haal op kiesverenigingen nog wel eens een woord aan, dat hij in zijn werk Onze Constitutie schreef. In mijn uitgave staat dat citaat op bladzijde 346: "Daarom komt het bij de keuze van een kamerlid nog meer aan op het karakter, de eerlijkheid en het doorzicht van den candidaat, dan op zijn gevoelen over eene bepaalde quaestie."
In onze fractie heb ik overigens wel eens gezegd, als Tilanus en Schmal voor hun visie met Groen kwamen aandragen: Maar we leven nu in de naoorlogse tijd, en als Groen nu had geleefd, was hij het misschien wel met mij eens geweest!!"

Bron: Drs. G. Puchinger, Hergroepering der Partijen?, Delft augustus 1968, blz. 301, 302.

Uit het gesprek met P. Jongeling, van 1963 tot 1977 lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter van het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV), het volgende:

Wat heeft
GROEN VAN PRINSTERER
u vandaag te zeggen als praktisch politicus?


P. Jongeling 1909 - 1985 "Ik las in uw interview met de freule, dat zij op deze vraag geantwoord heeft: niets. Mijn antwoord is: Groens positiekeuze is nog volkomen actueel, misschien nog meer dan in zijn eigen tijd. Hij heeft het kardinale onderscheid geformuleerd tussen revolutionair en anti-revolutionair staatsrecht en volkenrecht. En het is de ellende van onze tijd dat die afgrond vandaag slechts als een greppel wordt beschouwd!"

Hier zouden vooral historisch wel heel wat vragen
te stellen zijn; maar mag ik nog even in mijn vraag
de woorden onderstrepen: "als praktisch politicus"?


"Groens kracht was ook dat hij de eenheid van 't leven zag. Hij heeft zijn strijd in elke sektor willen voeren."

Maar als ik nu aan de televisiekwestie denk, waarop het kabinet Marijnen in de lente van 1965 viel; als ik denk aan de nacht van Schmelzer, toen het over budgetzaken ging; als ik aan de tegenwoordige sociale en economische politiek denk, aan Vondeling en Zijlstra, Witteveen en Roolvink, aan De Pous en Veldkamp; is op al die gebieden Groen nog werkelijk actueel?

"U hebt wel gemerkt dat ik uw vraag vooral van staatsrechtelijke wijze benaderd heb, want daarin lag Groens kracht. Niet zozeer in de sociaal-economische politiek,1) die in zijn tijd ook veel minder op de voorgrond stond, en ook veel minder in de parlementaire arbeid van die tijd. Ik meen dat er bij de voorbeelden die u stelt er zeker zijn waarin Groens actualiteit is aan te tonen. De kwestie van het dualisme in ons staatsrecht bijvoorbeeld, de vraag wanneer een kabinet moet en mag aftreden. Het kabinet Marijnen had zo maar niet mogen aftreden: er was helemaal geen botsing met de Kamer geweest."

Maar het rechtse, vierde kabinet Colijn is in 1939
op de zelfde manier uiteengevallen, door een intern conflict.
Bij gebrek aan eensgezindheid bood het kabinet
op 30 juni zijn ontslag aan aan de Koningin.


"Ja, dat was ook een intern conflict. Ik wil dus niet zeggen dat zoiets niet mogelijk is. Maar neem nu het kabinet Marijnen en de televisiekwestie. Achteraf heeft, geloof ik, de VVD... spijt als haren op het hoofd gehad over die uittreding van de ministers. En mijns inziens had men het zelfde moeten doen als men na het kabinet Cals heeft gekregen: men had door moeten gaan met een rompkabinet. We zijn daar veel te bang voor. Ik vind, de botsing moet maar komen, waar ze behoort te liggen: in het parlement."

Bron: Drs. G. Puchinger, Hergroepering der Partijen?, Delft augustus 1968, blz. 362, 380 en 382.

Uit het gesprek met Ir. H. van Rossum, van 1967 tot 1986 lid van de Tweede Kamer en fractievoorzitter van de Staatkundige Gereformeerde Partij (SGP), het volgende:

Ir. H. van Rossum 1919 - "Ik zou zo graag die partijvernieuwing zien in de lijn van: terugkeer tot God en Zijn geboden- op dat vlak! Dan kom er vanzelf een werkelijk geestelijke vernieuwingsbeweging.
Uit zo'n reveilbeweging is in de vorige eeuw ook Groen van Prinsterer voortgekomen. En ondanks het feit dat Groen een eenling was, heeft hij toch invloed uitgeoefend op het volk achter de kiezers. En daarom zou ik zo graag zien dat ook de partijvernieuwing in deze eeuw daarmee begon.
Nu is er te veel de roep dat de confessie uit de politiek moet verdwijnen, en daar ben ik niet zo gelukkig mee.
Want het gaat om het gezag dat van God afdaalt, zoals ook in Calvijns Institutie staat. Calvijn doelt daar niet alleen op een christelijke overheid, maar hij verwijst in het twintigste hoofdstuk van zijn vierde boek ook naar Nebucadnezar, ook naar Kores, die Israël naar stad en tempel deed terugtrekken, naar Augustus, die het gebod der wereldbeschrijving gaf in Lucas 2, verder nog naar Pilatus bij de veroordeling van Jezus.
Heidense overheden dus, en nochtans met gezag van Boven bekleed, iets waarop Jesaja, Jeremia en Daniël en ten slotte de Here Jezus zelf gewezen hebben."

Deze opmerkingen maakte ir. H. van Rossum, één der Kamerleden van de Staatkundig Gereformeerde Partij, toen ik met hem sprak over het vraagstuk van een eventuele hergroepering der partijen.

Wat is uw oordeel over Groen, Kuyper, Lohman en Coljn?

"Groen wordt in onze kringen bijzonder geapprecieerd. Ik geloof dat veel van wat Groen verkondigd heeft in de S.G.P. is terug te vinden. Ik denk aan zijn boek Ongeloof en Revolutie, en aan de wijze waarop de Franse Revolutie door Groen is bestreden. Een klein, briljant boekje van hem vind ik ook Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap, geschreven in 1848.

KUYPER,

ja, daar zitten we natuurlijk altijd een beetje mee. Kuyper volgde in zijn begintijd veelal zuiver de lijn zoals Groen die uitgestippeld had. Maar dan zie je al vrij snel dat er een stevige afbuiging plaats vindt, om politieke redenen, dacht ik........

Colijn is meer recent. Ja, wat moet ik van hem zeggen? Ik heb in mijn jongensjaren nogal eens wat kritiek op gehoord in S.G.P.-kring...."

Ze vonden hem daar natuurlijk te werelds.

"Juist!"

H. J. A. M. Schaepman 1844 - 1903 Onderstaande citaten zijn genomen uit: Dr. H. J. A. M. Schaepman, Menschen en boeken, 2e druk, Utrecht, 1896, deel 1, blz. 94 en vlgg.

"De talenten, hoe gelijk ook aan waarde, waren zeer verschillend van aard. Thorbecke was een wijsgeer, Groen van Prinsterer een geloovige, Thorbecke een denker, Groen een strijder, Thorbecke een wetgever, Groen een stichter, Thorbecke een meester, Groen een veldheer. Tegenover de wetten van den Minister van Staat staan de vereenigingen in 't leven geroepen door den hoofdman der anti-revolutionaire partij. Groen van Prinsterer staat meer in onmiddellijke betrekking met het leven, terwijl Thorbecke het niet zoozeer beheerscht, als wel zich daarboven plaatst."
"Het lijdt geen twijfel of Groen van Prinsterer is in de meeste opzichten de meerdere van Thorbecke. Als karakter, als man, als persoonlijkheid staat hij boven den liberalen Staatsman. Ook behoort hij meer tot het Hollandsche volk, staat hij vaster op den Hollandschen bodem. Daar is wel iets uitheemsch in Groen, nog wel iets behalve zijn voornaam Guillaume, maar dat uitheemsche stemt te wel met den geneefschen trek, die in een deel van ons volk maar te inheemsch werd, en men behoort nooit te vergeten dat ook de ,,Vader des Vaderlands" Guillaume teekende. Thorbecke daarentegen behoort geheel en al tot de school der Duitsche liberalen; in later tijd is daar wat Fransche praktijk bijgevoegd, maar de Duitsche professor komt altijd weer boven."
"Maar hoe dit alles zij en, om niet tot allerlei naspeuringen terug te keeren, zoowel de persoonlijkheid als het werk van Groen van Prinsterer hebben, trots allen schijn, meer kans op een langer historie dan Thorbecke. Wetten zijn kort van leven; haar dagen behooren tot de kortste mee. Het is de vraag niet of de anti-revolutionaire partij als zoodanig zal blijven bestaan, maar de groote ideeën van Groen zullen niet zoo spoedig ver-dwijnen en meer levenskracht toonen dan de eeuwig wisselende beginselen zonder geloof. Indien een stem als die van Groen door haar reiner klanken geen hoorders meer vond, geen volgers meer opwekte, dan zou het niet wel staan met het hoofd en het hart van velen onzer landgenooten."

Voor verdere informatie over alle genoemde politici verwijs ik naar de website "Parlement en Politiek"

1) Dit is voor de veellezer, zoals Jongeling zich elders in dit intervieuw typeert, toch wel wat kort door de bocht naar mijn mening. Zie voor deze problemeatiek "Groen van Prinsterer" door Prof. dr. P. A. Diepenhorst, Kok Kampen 1932. Met name het hoofdstuk Groen en de sociaal en economische vraagstukken..

home